Sytske Sötemann

Artikelen etc.

Yazılar v.s.


Artikelen


 

Simavne kadısı oğlu Şeyh Bedreddin destanı

2004


Het epos van sjeik Bedreddin, zoon van de kadi te Simavne

In deze poëtische raamvertelling vindt dankzij een gevangenisdroom een ontmoeting plaats tussen twee beroemde Turkse revolutionairen uit verschillende eeuwen. En wel tussen Sjeik Bedreddin (1365-1420), die de gewapende strijd voerde tegen de Osmaanse sultan en diens landheren en dat met een te vroege dood door ophanging moest bekopen, en de auteur Nâzım Hikmet (1902-1963), die zijn pennenstrijd voerde tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek en daarvoor lange tijd in gevangenschap en ballingschap moest doorbrengen.

Voorwoord

Nâzım Hikmet
De in 1936 geschreven autobiografische ‘raamvertelling’ over Sjeik Bedreddin is in diverse opzichten illustratief voor het leven en werk van Nâzım Hikmet. Deze eerste avant-gardistische dichter in de Turkse literatuur van de twintigste eeuw, die in 1902 werd geboren in Saloniki (het huidige Thessaloniki), opgroeide in Istanbul en in 1963 in ballingschap in Moskou overleed, is vooral beroemd geworden dankzij zijn poëzie. Daarin weerspiegelen zich zowel zijn revolutionaire gezindheid als zijn romantische aard.
Toen de jonge dichter begin jaren twintig voor de eerste keer in Moskou verbleef om Turkije, dat na de Eerste Wereldoorlog door de Geallieerden bezet werd gehouden, te ontvluchten en in die stad te studeren, ontmoette hij de futurist Majakovski, van wie het werk hem direct – zonder dat hij toen het Russisch machtig was – intrigeerde vanwege het volstrekt nieuwe vormenspel. Zó wil ik ook dichten, dacht Nâzım, wiens dichterstalent in de kunstzinnige familiekring alle gelegenheid had gekregen om tot bloei te komen, en vervolgens spoedig was ontdekt door zijn leermeesters, onder wie de beroemde dichter Yahya Kemal Beyatlı (1884-1958), die er persoonlijk voor had zorggedragen dat de eerste gedichten van de toentertijd zeventienjarige scholier werden gepubliceerd.
Niet alleen in de vorm van zijn poëzie wilde Nâzım revolutionair zijn, maar tevens in de taal en de inhoud ervan. Hij koos voor het literaire gebruik van het eenvoudige Turks dat buiten Istanbul in de zogenaamde taşra [het platteland] van Anatolië werd gesproken. Hij liet zich inspireren door de Turkse volksverhalen over de nomadische voorouders en de harde strijd om het bestaan in Anatolië, waar landheren de dienst uitmaakten, waar vetes en oorlogen werden uitgevochten, waar meisjes werden geschaakt om – meestal tevergeefs – uithuwelijking te voorkomen en jongens na een verloren liefde de bergen introkken om het struikroverspad te kiezen.
Nadat in Turkije op 29 oktober 1923 de Republiek was gevestigd, keerde Nâzım in het begin van 1924 terug naar zijn vaderland, waar hij zich uit socialistische overwegingen aansloot bij de communisten die in nauwe relatie stonden met de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Deze band en de in de ogen van de stichter van de seculiere Turkse Republiek Atatürk – en diens opvolgers – ondermijnende activiteiten voor de jonge natiestaat, waren voldoende reden om de jacht op communisten en andere links georiënteerde opponenten te openen; zij zijn tot op de dag van vandaag als staatsgevaarlijke individuen hardhandig bestreden en vervolgd.
Iedere vorm van linkse ‘propaganda’ in woord en daad werd op straffe van een langdurig gevangenisverblijf verboden. Dientengevolge hebben Nâzım en velen van zijn collega’s jarenlang in Turkse gevangenissen doorgebracht. Soms kwam men dankzij een algemene amnestie vervroegd vrij om niet lang daarna toch weer te worden opgepakt, tenzij men in staat was naar het buitenland te vluchten.
Tijdens zijn veelal onvrijwillige verblijfsperiodes in dat buitenland maakte Nâzım kennis met kunstenaars als Pablo Neruda, Picasso, Aragon, waardoor hij zich eens te meer voelde aangemoedigd om in leven en geschrift voort te gaan op het revolutionaire pad. In 1938 werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar wegens het aanzetten tot opstand onder militaire cadetten die de euvele moed hadden zijn Epos van Sjeik Bedreddin te lezen. Dankzij een generaal pardon bij de installatie van de eerste democratisch gekozen Turkse regering kwam hij na dertien jaar vrij.
Maar buiten de gevangenismuren was hij zijn leven niet langer zeker, hij werd immers als extra staatsgevaarlijk beschouwd vanwege zijn succes onder brede lagen van de bevolking; de regering had deze communistische schrijver liever dood dan levend. Daarom zag hij zich tenslotte genoodzaakt Turkije voorgoed te verlaten. In 1951 stapte hij geholpen door vrienden in het holst van een nacht in een bootje om de Zwarte Zee over te steken. Zijn poëzie liet zich echter niet weerhouden door grensbewakers noch door taalgrenzen; die vond in Turkije alleen maar een wijdere verspreiding en werd bovendien in meer dan vijftig talen vertaald.

In het Nederlands verschenen tot nu toe slechts enkele kleine bloemlezingen, (niet gepubliceerde) toneelstukken, en bij uitgeverij De Geus een integrale vertaling van Mensenlandschappen.

Bedreddin
Het epos zelf verhaalt van een socialistische boerenrevolte in de 14e eeuw, aan de westerse grens van het toenmalige Osmaanse gebied, waarin tienduizenden Christelijke, Islamitische en Joodse Turken zich hadden verenigd onder leiding van Sjeik Bedreddin en zijn volgeling Torlak Kemal. Juist de enorme omvang en diversiteit van de beweging maakten de opstand des te gevaarlijker voor de sultan. Beide leiders en hun volgelingen werden tenslotte verslagen door Prins Murad, zoon van Çelebi Sultan Mehmet I (1389-1421) en broer van Sultan Mehmet II, Fatih [De Veroveraar (van Istanbul in1453)].
Bedreddin is een bekende figuur in de Osmaanse geschiedenis en staat symbool voor de opstand tegen het gezag. Overigens hield hij het niet alleen bij de strijd, maar verrichtte hij tevens ‘zendingswerk’ onder het volk. Zijn ‘preken’ zijn gebundeld en bekend geworden onder de naam Varidat [Ingevingen].
De door Nâzım Hikmet gevoelde verwantschap met de zoon van de kadi, die in 1358 of 1365 werd geboren in Simavne in de buurt van Edirne, ligt ongetwijfeld in hun revolutionaire gezindheid. De vroegere sjeik, een soefi (islamitisch mysticus), kwam vanuit zijn geloofsovertuiging tot het socialisme (vgl. christen-socialisme), terwijl de tegenwoordige dichter van huis uit atheïstisch was en in zijn jonge jaren bovendien communist werd. Hun strijd voor de onderdrukten tegen de onderdrukkers heeft hun beider leven getekend. Bedreddin voerde de gewapende strijd tegen de Osmaanse sultan en diens landheren en moest dat met een veel te vroege dood door ophanging bekopen. Nâzım voerde zijn pennenstrijd tegen het autocratische regime van de Turkse Republiek en moest daarvoor lange tijd in gevangenschap en ballingschap doorbrengen.

In het boek volgt hierna de integrale vertaling van het epos. 
U kunt het boek bestellen via deze website.




(Terug)