Sytske Sötemann

Turkse poëzie in Nederlandse vertaling

Hollandaca'da Türkçe şiir


Tevfik FİKRET (1867-1915)

SİS

MIST

Sarmιş yine âfakιnι bir dud-ι muannid,
Bir zulmet-i beyza ki peyapey mütezayid.
Tazyikιnιn altιnda silinmiş gibi eşbah,
Bir tozlu kesafetten ibaret bütün elvah;
Bir tozlu ve heybetli kesafet ki nazarlar
Dikkatle nüfuz eyleyemez gavrine, korkar!
Lâkin sana lâyιk bu derin sütre-i muzlim,
Lâyιk bu tesettür sana, ey sahn-ι mezalim!
Ey sahn-ι mezalim... Evet, ey sahne-i garra,
Ey sahne-i zi-şa’şaa-i haile-pira!
Ey şa’şaanιn, kevkebenin mehdi, mezarι
Şarkιn ezelî hâkime-i cazibedarι;
Ey kanlι mahabbetleri bi-lerziş-i nefret
Perverde eden sine-i meshuf-ι sefahet;
Ey Marmara’nιn mai der-âguşu içinde
Ölmüş gibi dalgιn uyuyan tude-i zinde;
Ey köhne Bizans, ey koca fertut-ι müsahhir,
Ey bin kocadan arta kalan bive-i bakir;
Hüsnünde henüz tazeliğin sihri hüveyda,
Hâlâ titirer üstüne enzar-ι temaşa.
Hariçten, uzaktan açιlan gözlere süzgün
Çeşman-ι kebudunla ne munis görünürsün!
Munis, fakat en kirli kadιnlar gibi munis;
Üstünde coşan giryelerin hepsine bi-his.
Te’sis olunurken daha, bir dest-i hιyanet
Bünyanιna katmιş gibi zehr-abe-i la’net!
Hep levs-i riya, dalgalanιr zerrelerinde,
Bir zerre-i safvet bulamazsιn içerinde.
Hep levs-i riya, levs-i hased, levs-i teneffu;
Yalnιz bu... ve yalnιz bunun ümid-i tereffu.
Milyonla barιndιrdιğιn ecsad arasιndan
Kaç nasiye vardιr çιkacak pak u dirahşan?

	Örtün, evet, ey haile... Örtün, evet, ey şehr;
	Örtün ve müebbed uyu, ey facire-i dehr!..

Ey debdebeler, tantanalar, şanlar, alaylar;
Katil kuleler, kal’alι zindanlι saraylar;
Ey dahme-i mersus-ι havatιr, ulu ma’bed;
Ey gιrre sütunlar ki birer div-i mukayyed,
Mazileri atilere nakletmeye memur;
Ey dişleri düşmüş, sιrιtan kâfile-i sur;
Ey kubbeler, ey şanlι mebani-i menunat;
Ey doğruluğun mahmil-i ezkârι minarat;
Ey safkι çökük medreseler, mahkemecikler;
Ey servilerin zιll-ι siyahιnda birer yer
Te’min edebilmiş nice bin sail-i sabir;
‘Geçmişlere rahmet!’ diyen elvah-ι mekâbir;
Ey türbeler, ey herbiri pür-velvele bir yad
İkaz ederek samit ü sakin yatan ecdad;
Ey ma’reke-i tin ü gubar eski sokaklar;
Ey her açιlan rahnesi bir vak’a sayιklar
Viraneler, ey mekmen-i pür-hab-ι eşirra;
Ey kapkara damlarla birer matem-i ber-pa
Temsil eden asude ve fersude mesakin;
Ey herbiri bir leyleğe, bir çaylağa mavtιn
Gam-dide ocaklar ki meraretle somurtmuş,
Yιllarca zamandan beri, tütmek ne... unutmuş;
Ey mi’delerin zehr-i tekazasι önünde
Her zilleti bel’eyleyen efvah-ι kadide;
Ey fazl-ι tabiatle en amade ve mün’im
Bir fιtrata makrun iken aç, âtıl u âkim;
Her ni’meti, her fazlι, hep esbab-ι rehayι
Gökten dilenen züll-i tevekkül ki... mürayi!
Ey savt-ι kilâb, ey şeref-i nutk ile mümtaz
İnsanda şu nankörlüğü tel’in eden avaz;
Ey girye-i bi-faide, ey hande-i zehrin;
Ey natιka-ι acz ü elem, nazra-i nefrin;
Ey cevf-i esatire düşen hâtιra: namus;
Ey kιble-i ikbale çιkan yol: reh-i pa-bus;
Ey havf-i müsellah, ki hasaratιna raci
Öksüz, dul ağιzlardaki her şevke-i tali;
Ey şahsa masuniyyet ü hürriyyete makrun
Bir hakk-ι teneffüs veren efsane-i kanun;
Ey va’d-i muhal, ey ebedî kizb-i muhakkak,
Ey mahkemelerden mütemadî sürülen hak;
Ey savlet-i evham ile bi-tab-ι tahassüs
Vicdanlara temdid edilen gûş-ι tecessüs;
Ey bim-i tecessüsle kilitlenmiş ağιzlar;
Ey gayret-i milliye ki mebguz u muhakkar;
Ey seyf ü kalem, ey iki mahkûm-ι siyasi;
Ey behre-i fazl u edeb, ey çehre-i mensi;
Ey bar-ι hazerle iki kat gezmeye me’luf;
Eşraf u tevabi, koca bir unsur-ι ma’ruf;
Ey re’s-i fürubürde, ki akpak, fakat iğrenç;
Ey taze kadιn, ey onu ta’kibe koşan genç;
Ey mader-i hicranzede, ey hemser-i muğber;
Ey kimsesiz, avare çocuklar... hele sizler,
Hele sizler...

	Örtün, evet, ey haile... Örtün, evet, ey şehr;
	Örtün ve müebbed uyu, ey facire-i dehr!..

© Tevfik FİKRET, 1908
  Tanin Matbaası İstanbul
Weer wordt je horizon in nevelen gehuld door dichte mist,
Door een zich onweerhoudbaar verbreidende inwitte mist.
Onder deze druk lijkt het bestaan in het gedrang gekomen,
Het zicht door stoffige dichtheid aan de mensen ontnomen;
Behoedzame, bevreesde blikken vermogen die dichtheid
Niet te doordringen, die stoffige afschrikwekkendheid!
Maar jou past deze diepduistere sluier, een waardig gewaad
Voor jou, o arena van onderdrukking, geweld en verraad!
O arena van onderdrukking en geweld... O toneel, o verguld
Toneel van pronk en praal, o jij, die een tragedie verhult!
O wieg en graf van gouden glans, van praal en prachtvertoon,
Innemende koningin van het oosten op je eeuwige troon,
Boezem van lust tot vermaak die de bloedigste liefdes voedt
En hen, zonder rilling van afschuw en schrik, groeien doet;
Diep in slaap als was je gestorven, o roerige reus,
Aan de blauwe flanken van de Marmara, majestueus;
O afgeleefd Byzantium, o bedaagde oude heks van de betovering,
O ongenaakbare weduwe, na duizend gades nog steeds zonder wroeging,
Nog altijd is in je schoonheid de bedwelmende reinheid zichtbaar,
Nog altijd beven de blikken die je aanschouwen onmiskenbaar.
Hoe volgzaam schijn je met je ogen van smachtend blauw
Voor hen die uit de verten jou nemen in ogenschouw!
Volgzaam, maar volgzaam als de meest verdorven wijven,
Gevoelloos voor al hun tranen die je overstromen blijven.
Een giftig verdoemd water als verhief zich een verradershand
Tegen je bouw, als was hij er bij je stichting reeds tegen gekant.
Steeds golft het vuil van de hypocrisie op je kleinste onderdelen,
Geen kruimeltje reinheid is er te vinden, geen daglicht te velen.
Altijd het vuil van de hypocrisie, van de jaloezie, van het eigenbelang;
Alleen dit... en alleen de hoop hiermee te stijgen: die eeuwige drang.
Hoeveel hoofden zullen schoon en glanzend tussen de lijken vandaan
Tevoorschijn komen, onder de miljoenen die bij jou ter ziele zijn gegaan?

	Ja, sluier je, o tragedie... Sluier je, o stad van de wereld;
	Ja, sluier je en slaap eeuwig,... o hoer van de wereld!...   

O pracht, praal, glorie, triomftocht en parades;
Dodelijke torens, vestingpaleizen en kerkers;
O onwrikbaar graf van herinneringen, grootse tempel;
O trotse zuilen, elk een geketende reus en bestempeld
Tot het vertellen van het verleden aan komende tijden;
O grijnzende wallen, waarvan de tanden aan uitval lijden;
O koepels, o gebedsgebouwen, roemrijk in lengte van dagen,
O minaretten die de woorden van de waarheid dragen;
O medresses, gerechtshoven met ingestort dak en verroest hek;
O hoeveel duizend geduldige bedelaars verwierven daar een plek
In de zwarte schaduw van de cipressen, in verleden en heden,
Waar de grafschriften luiden: ‘Genade voor hen die overleden’!
O mausolea, o voorvaderen die roerloos hier liggen en voorgoed,
Hoewel ieder van hen aan rumoerige daden denken doet;
O oude straten, beslijkt en stoffig oorlogsterrein;
O ruïnes waarvan de gapende gaten de stille getuigen zijn;
O heimlijke plaatsen waar slaperige vagebonden verkeren;
O stille en vervallen huizen die de rouw symboliseren
Die aan ieders voeten ligt in donkere druppels, inktzwart;
O treurige haarden die gedoofd zijn van pijn en smart,
Elks schoorsteen nu een nest voor ooievaar of wouw,
Sinds jaren vergeten hoe rook kringelt door de schouw;
O uitgedroogde monden die iedere laagheid slikken
Voor het zuur van de maag, en bitter zich schikken;
O hoe hongerig, lui en onvruchtbaar, ofschoon door de natuur
Zo klaar en gezegend geschapen, zo rein en zo puur.
De geleden vernedering, de hemel smekend om elke zegening,
Om elk geschenk, hoe hypocriet... alle reden voor bevrijding!
O stem van honden, o schreeuw die de ondankbaarheid
In de mens vervloekt, begiftigd met eer die tot spreken leidt;
O nutteloze traan, o giftige lach van venijn;
O verwensende blik, machteloze woorden van pijn;
O herinnering die de mythen toebehoort: de eer, het heilige moeten;
O weg naar de aanbidding der gebedsnis: weg van het kussen der voeten;
O gewapende angst, in elke klacht klinkend in de mond van wezen
En weduwen over hun noodlottig verlies, hun onpeilbaar vrezen;
O mythe van de wet die recht op ademen geeft in het hier en nu,
Op onschendbaarheid en vrijheid voor de mens, voor ieder individu;
O woord dat niet wordt vervuld, o dat wat voor altijd is gelogen,
O recht dat voortdurend wordt vertrapt door de gerechtshoven;
O spionerende oren, die tot in het geweten vermogen door te dringen
Waarvan het gevoel is uitgeput, aangevallen door valse voorstellingen;
O monden die gesloten blijven uit angst voor een verspreking;
O nationale inspanning getroffen door afschuw en verachting;
O zwaard en pen, o twee politiek veroordeelden;
O talentvol en literair gezicht, o vergeten beelden;
O vooraanstaanden en volgelingen, aan twee maal omlopen gewend
Met op de schouders de last van de angst, beroemd, groot en bekend;
O gebogen hoofd, glanzend, maar weerzinwekkend;
O reine vrouw, o jongeman die haar achterna rent;
O moeder door scheiding gekwetst, o gade uit de gratie;
O kinderen zonder ouders, alleen ... vooral jullie,
Vooral jullie...

	Ja, sluier je, o tragedie... Sluier je, o stad van de wereld;
	Ja, sluier je en slaap eeuwig,... o hoer van de wereld!...   

© Sytske Sötemann, 2000  
In proefschrift


SİS (Bugünkü dille)

MIST

Sarmış yine ufuklarını bir inatçı duman, 
bir apak karanlık ki durmadan artmada. 
Basıncının altında silinmiş gibi varlık,
bir tozlu yoǧunluktan ibaret bütün görünüm; 
bir tozlu ve ürkünç ulu yoğunluk ki bakışlar
dikkatle işleyemez derinliğine, korkar!
Ama sana lâyık bu derin karanlık örtü,
layık bir örtünme sana, ey zulümler alanı!
Ey zulümler alanı... Evet, ey gösteriş sahnesi, 
ey facia süsleyen yaldızlı, şatafatlı sahne!
Ey şatafatın, gösterişin beşiği ve mezarı; 
Dogu'nun öncesiz alımlı kraliçesi;
en kanlı sevgileri nefretle titremeden 
besleyip büyüten zevk düşkünü göğüs; 
ey Marmara' nın mavi kucağında 
ölmüş gibi dalgın uyuyan canlı yıǧın;
ey köhne Bizans, ey koca büyücü bunak,
ey bin kocadan arta kalan el değmemiş dul; 
gülzelliǧinde daha tazeliğin büyüsü ortada, 
hâlâ titrer üstüne izleyen bakışlar.
Dışardan, uzaktan açılan gözlere süzgün
mavi gözlerinle ne uysal görünürsün! 
Uysal, ama en kirli kadınlar gibi uysal; 
üstünde coşan gözyaşlarının hepsine hissiz. 
Kurulurken daha, bir hainlik eli
yapına katmış gibi zehirli bir kargış suyu!
Hep ikiyüzlülük kiri dalgalanır zerrelerinde,
bir temizlik zerresi bulamazsın içerinde.
Hep ikiyüzlülük kiri, kıskançlık kiri, çıkarcılık kiri;
yalnız bu... ve yalnız bunun yükselme umudu. 
Milyonla barındırdıǧın cesetler arasından
kaç alın vardır çıkacak temiz ve parlak?

Örtün, evet, ey facia... örtün, evet, ey kent;
örtün ve sonsuzca uyu, ey dünya orospusu!..

Ey debdebeler, tantanalar, şanlar, alaylar; 
kaatil kuleler, kaleli zindanlı saraylar;
ey anıların sağlam mezarı, ulu tapınak; 
ey gururlu sütunlar ki birer bağlı dev,
geçmişleri geleceklere anlatmakla görevli; 
ey dişleri düşmüş, sırıtan sur kafilesi;
ey kubbeler, ey şanlı yakarma yapıları;
ey doğruluğun sözlerini taşıyan minareler; 
ey çatısı çökük medreseler, mahkemecikler; 
ey servilerin kara gölgesinde birer yer
elde edebilmiş nice bin sabırlı dilenci;
‘Geçmişlere rahmet!’ diyen mezar yazıtları; 
ey türbeler, ey herbiri gürültülü bir anıyı
uyandırarak sessiz ve durgun yatan atalar; 
ey çamur ve tozun savaş alanı eski sokaklar; 
ey her açılan gediği bir olay sayıklar 
viraneler, ey uykulu it kopuğun pusu yerleri; 
ey kapkara damlarla birer ayakta duran yası 
simgeleyen sessiz ve eskimiş evler;
ey herbiri bir leyleğe, bir çaylağa yuva 
kaygılı ocaklar ki acılarla somurtmuş,
yıllarca zamandan beri, tütmek ne... unutmuş;
ey midelerin sıkıştıran nehri önünde
her alçaklığı yutan kurumuş ağızlar;
ey doğanın bağışıyla en hazır ve nimetli
bir yaratılışa ulaşmışken aç, tembel ve kısır;
her nimeti, her bağışı, bütün kurtuluş nedenlerini 
gökten dilenen katlanma alçalışı ki... ikiyüzlü!
Ey köpeklerin sesi, ey konuşma onuru ile üstün
insanda şu nankörlüğü kargıyan bağırtı;
ey yararsız gözyaşı, ey zehir gibi gülüş;
ey güçsüzlük ve elem sözleri, kargıyan bakış; 
ey efsanelere düşen anı: namus;
ey yükselme kapısına çıkan yol: ayak öpme yolu; 
ey silahlı korku, ki zararları yüzünden
öksüz, dul aǧızlardaki her talih yakınışı;
ey kişiye dokunulmazlık ve özgürlüğe yakın 
bir soluk alma hakkı veren yasa efsanesi;
ey olmayacak söz, ey sonsuzca bilinen yalan, 
ey mahkemelerden sürekli sürülen hak;
ey kuruntuların saldırısı ile duyguları bitkin 
vicdanlara uzatılan meraklı kulak;
ey dinlenme korkusuyla kilitlenmiş ağızlar;
ey ulusal çaba ki nefret edilmiş ve horlanmış; 
ey kılıç ve kalem, ey iki siyasal mahkûm;
ey erdem ve edebin payı, ey unutulmuş yüz; 
ey korku yüküyle iki kat gezmeye alışmış
ileri gelenler ve adamları, koca bir ünlü kesim;
ey eğilmiş baş, ki akpak, ama iğrenç;
ey taze kadın, ey onu takibe koşan genç; 
ey ayrılık acısı çeken ana, ey kırgın eş; 
ey kimsesiz, başı boş çocuklar... hele sizler,
		Hele sizler...

Örtün, evet, ey facia... örtün, evet, ey kent;
örtün ve sonsuzca uyu, ey dünya orospusu!..

© Tevfik FİKRET, 1908 (1995)
  (Yapı Kredi Yayınları) İstanbul
Weer wordt je horizon in nevelen gehuld door dichte mist,
door een zich onweerhoudbaar verbreidende inwitte mist.
Onder deze druk lijkt het bestaan in het gedrang gekomen,
het zicht door stoffige dichtheid aan de mensen ontnomen;
behoedzame, bevreesde blikken vermogen die dichtheid
niet te doordringen, die stoffige afschrikwekkendheid!
Maar jou past deze diepduistere sluier, een waardig gewaad
voor jou, o arena van onderdrukking, geweld en verraad!
O arena van onderdrukking en geweld... O toneel, o verguld
toneel van pronk en praal, o jij, die een tragedie verhult!
O wieg en graf van gouden glans, van praal en prachtvertoon;
innemende koningin van het Oosten op je eeuwige troon;
boezem van lust tot vermaak die de bloedigste liefdes voedt
en hen, zonder rilling van afschuw en schrik, groeien doet;
diep in slaap als was je gestorven, o roerige reus,
aan de blauwe flanken van de Marmara, majestueus;
o afgeleefd Byzantium, o bedaagde oude heks van de betovering,
o ongenaakbare weduwe, na duizend gades nog steeds zonder wroeging;
nog altijd is in je schoonheid de bedwelmende reinheid zichtbaar,
nog altijd beven de blikken die je aanschouwen onmiskenbaar.
Hoe volgzaam schijn je met je ogen van smachtend blauw
voor hen die uit de verten jou nemen in ogenschouw!
Volgzaam, maar volgzaam als de meest verdorven wijven;
gevoelloos voor al hun tranen die je overstromen blijven.
Een giftig verdoemd water als verhief zich een verradershand
tegen je bouw, als was hij er bij je stichting reeds tegen gekant!
Steeds golft het vuil van de hypocrisie op je kleinste onderdelen,
geen kruimeltje reinheid is er te vinden, geen daglicht te velen.
Altijd het vuil van de hypocrisie, van de jaloezie, van het eigenbelang;
alleen dit... en alleen de hoop hiermee te stijgen: die eeuwige drang.
Hoeveel hoofden zullen schoon en glanzend tussen de lijken vandaan
tevoorschijn komen, onder de miljoenen die bij jou ter ziele zijn gegaan?

Ja, sluier je, o tragedie... sluier je, o stad van de wereld;
ja, sluier je en slaap eeuwig, o hoer van de wereld!...

O pracht, praal, glorie, triomftocht en parades;
dodelijke torens, vestingpaleizen en kerkers;
o onwrikbaar graf van herinneringen, grootse tempel;
o trotse zuilen, elk een geketende reus en bestempeld
tot het vertellen van het verleden aan komende tijden;
o grijnzende wallen, waarvan de tanden aan uitval lijden;
o koepels, o gebedsgebouwen, roemrijk in lengte van dagen;
o minaretten die de woorden van de waarheid dragen;
o medresses, gerechtshoven met ingestort dak en verroest hek;
o hoeveel duizend geduldige bedelaars verwierven daar een plek
in de zwarte schaduw van de cipressen, in verleden en heden;
waar de grafschriften luiden: ‘Genade voor hen die overleden!’;
o mausolea, o voorvaderen die roerloos hier liggen en voorgoed,
hoewel ieder van hen aan rumoerige daden denken doet;
o oude straten, beslijkt en stoffig oorlogsterrein;
o ruïnes waarvan de gapende gaten de stille getuigen zijn;
o heimlijke plaatsen waar slaperige vagebonden verkeren;
o stille en vervallen huizen die de rouw symboliseren
die aan ieders voeten ligt in donkere druppels, inktzwart;
o treurige haarden die gedoofd zijn van pijn en smart,
elks schoorsteen nu een nest voor ooievaar of wouw,
sinds jaren vergeten... hoe rook kringelt door de schouw;
o uitgedroogde monden die iedere laagheid slikken
voor het zuur van de maag, en bitter zich schikken;
o hoe hongerig, lui en onvruchtbaar, ofschoon door de natuur
zo klaar en gezegend geschapen, zo rein en zo puur;
de geleden vernedering, de hemel smekend om elke zegening,
om elk geschenk, hoe hypocriet... alle reden voor bevrijding!
O stem van honden, o schreeuw die de ondankbaarheid
in de mens vervloekt, begiftigd met eer die tot spreken leidt;
o nutteloze traan, o giftige lach van venijn;
o verwensende blik, machteloze woorden van pijn;
o herinnering die de mythen toebehoort: de eer, het heilige moeten;
o weg naar de aanbidding der gebedsnis: weg van het kussen der voeten;
o gewapende angst, in elke klacht klinkend in de mond van wezen
en weduwen over hun noodlottig verlies, hun onpeilbaar vrezen;
o mythe van de wet die recht op ademen geeft in het hier en nu,
op onschendbaarheid en vrijheid voor de mens, voor ieder individu;
o woord dat niet wordt vervuld, o dat wat voor altijd is gelogen,
o recht dat voortdurend wordt vertrapt door de gerechtshoven;
o spionerende oren, die tot in het geweten vermogen door te dringen
waarvan het gevoel is uitgeput, aangevallen door valse voorstellingen;
o monden die gesloten blijven uit angst voor een verspreking;
o nationale inspanning getroffen door afschuw en verachting;
o zwaard en pen, o twee politiek veroordeelden;
o talentvol en literair gezicht, o vergeten beelden;
o vooraanstaanden en volgelingen, aan twee maal omlopen gewend
met op de schouders de last van de angst, beroemd, groot en bekend;
o gebogen hoofd, glanzend, maar weerzinwekkend;
o reine vrouw, o jongeman die haar achterna rent;
o moeder door scheiding gekwetst, o gade uit de gratie;
o kinderen zonder ouders, alleen ... vooral jullie,
		Vooral jullie...

Ja, sluier je, o tragedie... Sluier je, o stad van de wereld;
ja, sluier je en slaap eeuwig,... o hoer van de wereld!...

© Sytske Sötemann, 2000  


(Terug)