Sytske SötemannTurkse poëzie in Nederlandse vertalingHollandaca'da Türkçe şiir | |
Özdemir İNCE (1936) | |
ŞU BİZİM ÖMER KALEŞİ’NİN İŞLERİ | DIE WERKEN VAN ONZE ÖMER KALEŞİ |
I. Beyazın siyah durağıdır kırmızı ya da sarı olmadan öncedir size anlatacağım öykü: Beyazdan önce ne var bu fâni dünyada, siyahın beyaz hali mi? İşte bu benim anlatacağım öyküye dahil. Yoksa beyazın siyaha doğru yürüyüşü mü, yoksa beyazın siyah yürüyüşü mü? İşte bu benim anlatacağım öyküye dahil. Belki de beyazın siyah yürüyüşü, o halde nedir karadan daha siyah? Belki de siyahtan daha kara beyaz benim size her gece anlatacağım öykü. II. (Kırmızı Başlıklı Kız, 2007) Resmin arkasına geçtim yolculuk sürdü kırk gün kırk gece. Sağdan baktım Formoza taraflarından Tarık’ın kayalıklarında durup soldan baktım, hızımı alamayıp dünyanın çevresini dolaştım: Harman atıyordu bir şair elinde yaba, bir ressam su falına bakıyordu. Dünya dönüyordu, dervişler bir başka yörüngede; doğum günüydü “Kırmızı Başlıklı Kız”ın. III. (Arago’nun ağaç kütüğünde bir baş, 2006) Bir karınca çıktı kestane gövdesinden uzaktan daha uzak bir yerde, selamlaştı bir sincap gölgesiyle. “Sana emanet, dedi, bütün buralar, başım burada kalacak, bilirim, hasret kötü bir meslek.” Nasıl olsa bir baş gerekmez bana Nasıra’ya varmadan Tarsus ovasından Antakya dağlarından geçerken, Ben, geçmişin gelecek hali. Acelem var bir ben olarak: Bir zeytin ağacı beklemekte beni dünyaya bedel bir göğüs kafesinde! IV. Külü dikeceğim ve bir kilim dokuyacağım bir yüzün kederli aşkıyla. İnsanlar bakacak bana görecek beni. Peki ben deli değilsem bu civarda peki kim deli benden başka? Oturup bakarım su sonsuzluğa: Kuyudan su çeker uzun belikli kızlar. V. Mıknatıs yüz: Bir manyetik alan; vadesiz bakışlar sarmaşığı gözler ve uzaylar arasında. Dök demir tozlarını bedenime, bir derviş çıkmazsa içinden bileğimi keserim vallahi, yetmez ise pey sürerim billahi, kumar masasında, yeşil çuhaya hayatlarımdan birini. Ayaksız ve kanatsız derviş olsam, bu gözler kimin gözleri diye sorsam geçmişin mi yoksa geleceğin mi? VI. Hayatın dışında uyanmak istedim, bana bunun olamayacağını söylediler: “Sen bir diken olmadıkça asla!” Bu gidişle ölmeyi öğrenmek çok zor; ölümsüzlük mü, bana göre değil, rastlantısal doğumumdan bu yana. Ölmek istiyorum ama varsa kendi ölümümle – lafın gelişi işte -, başımı görebilirsiniz o zaman. Uyudum ama bir uyurgezer uykusu. Başım Aziz Yahya’nın başı değil, istediği kadar dans edebilir güzel Salome. Evet ya da hayır, kanatlarıma bakın. Ben batıyorum! Uygun olarak bir mucizeye. VII. Bir kale mimarı mı olsam, kendime bir piramit mi yaptırsam? Hayır, asla! Bana göre değil! Max Jacob’un elma bahçesini alsam, elma şaraplık, kırları sulasam – satın alacağım nankör mirasçılarından -. Sonra Çin ipeğinden bir şemsiye: ıslanmasın diye Ömer’in beyaz dünyası Paris’in nisan yağmurlarında. VIII. Uçurumun diplerinde gezer çobanın gölgesi. Çağlayanın arkasında uyur boş yamçısı; uçurumun yarı yolundadır çoban. Balkan kartalı Ömer Kaleşi bütün bunları görür gönül gözüyle taa yukarlardan, tavşan yuvasına saldıran yılanı ararken. Gökyüzünün yarı yolundadır Ömer Kaleşi. Uçuruma ekilecek huzur tohumları arar. IX. Gövdesiz bir kadın başı Paris’te Arago bulvarında bir at kestanesi gövdesi içinde. (Siz öyle sanın!) O ve ben – “Ben!” dediysem, Ömer Kaleşi, ikimiz de özgürüz o kendini gizleyerek, ben, hayal ederek bir taze bedeni, yaşsız! Gövde, memeler, bacaklar, nemli bir vadi ve onun karlar eriten gölgesi Türkiye’de Toros dağlarında. X. (Bir insan başı resim olarak susuyor. Birlikte dinleyelim): Gövde gerekmez deliliğe, beyin insan evrenin başlangıcıdır. Sevgiliyi yüzüyle hatırlarız, kalçalarına, memelerine bakar yüzünü görürüz. Bunun gibi, işte: Öznesiz, yüklemsiz, eylemsiz bir dünya! Tütsülenmiş, mumyalanmış bir cümle. Gövde gerekmez! Tanrı ve şeytan benden sonra doğdular! XI. “Gotik rüzgâr gülü” nasıl girdi resim beyazının içine, çünkü siyah yok. Yok! Aklımdan hiç çıkmaz orman bekçisi dedemin sözü: Doğayla yüz göz olma çocuk! Bir kutsal kitap gibi aç onu açabilirsen eğer bir ayet gibi oku ebedi ve ezeli dulun hallerini. (Böyle tanımlardı dünya evrenini.) Bugünün işini yarına bırakma demiştir de, sakın! Ama ben “yarın” sarrafıyım, avare rüzgârlara sevdalı bir kuyumcu. XII. Karpit lâmbası kokusunda köylü yüzler! Nasıl doyuruyorsun bunca insan ağzını Ömer? Bilemez insan, aç mı tok mu? Ama iyi bak gözlerine anlarsın. Zaten bakıp anlıyorsun. Bakışlarına nasıl dayanıyorsun Ömer? Fazla yaklaşma yanarsın bizi de yakarsın ! Saz şairi, trubadur Ömer, Balkanların çarıksız, yalnayak abdalı, Dünyanın Tozu’nu toplamaktadır. © Özdemir İNCE, 2009 İstanbul | I. De zwarte halte van wit is rood of voordat het geel wordt het verhaal dat ik u zal vertellen: Wat komt er voor wit in deze vergankelijke wereld, is wit een toestand van zwart? Dit behoort juist tot het verhaal dat ik zal vertellen. Of is het de overgang van wit naar zwart, of de zwarte overgang van wit? Dit behoort juist tot het verhaal dat ik zal vertellen. Misschien is het wel de zwarte overgang van wit, wat is in dat geval zwarter dan inktzwart? Misschien is wit wel inktzwarter dan zwart het verhaal dat ik u elke nacht zal vertellen. II. (Roodkapje, 2007) Ik ging achter het schilderij langs de reis duurde veertig dagen veertig nachten. Ik keek van rechts van de kant van Formoza stond op de rotsen van Gibraltar keek van links, was niet meer te houden en zwierf de hele wereld rond: De oogst wierp een discus in de hand van een dichter, een schilder keek naar de voorspelling van water. De wereld draaide, de derwisjen draaiden in een andere baan; het was de verjaardag van “Roodkapje.” III. (Een hoofd op de boomstronk van Arago, 2006) Er kwam een mier tevoorschijn uit de stam van een kastanje ergens verder dan ver, hij begroette de schaduw van een eekhoorn. “Jij valt te vertrouwen, zei hij, alles hier, mijn hoofd zal hier blijven, ik weet het, heimwee is een slechte leidraad.” Ik heb hoe dan ook geen hoofd nodig voordat ik Nazareth bereik door het dal van de Tarsus over de bergen van Antiochië, Ik, de toekomstige toestand van het verleden. Als een ik heb ik haast: Een olijfboom verwacht mij in een borstkas ter waarde van de wereld! IV. As zal ik planten en een tapijt weven met de treurige liefde van een gezicht. Mensen zullen naar mij kijken mij zien. Goed als ik niet gek ben in deze omgeving wie is er dan wel gek behalve ik? Ik zit te kijken naar de oneindigheid van water: De meisjes met de lange vlechten halen water uit de bron. V. Magnetisch gezicht: Een magnetiserende plek; termijnloze hechting van blikken tussen ogen en ruimten. Giet het ijzerstof in mijn lichaam, mocht er geen derwisj uit tevoorschijn komen dan snijd ik mijn pols door bij god, volstaat dat nog niet dan zal ik o god, aan de speeltafel, op de groene doek een van mijn levens inzetten. Zou ik een derwisj zijn zonder voeten en vleugels, zou ik vragen wiens ogen deze ogen zijn zijn ze dan van het verleden of van de toekomst? VI. Buiten het leven wilde ik ontwaken, ze zeiden tegen mij dat dit niet zou kunnen: “Zolang je tenminste geen doorn bent!” Met deze houding is het heel moeilijk te leren sterven; is het onsterfelijkheid, dat past niet bij mij, het is deze kant van mijn toevallige geboorte. Ik wil sterven maar als het zover is met mijn eigen dood – bij wijze van spreken –, dan kunt u mijn hoofd zien. Ik sliep maar het was een slaapwandelende slaap. Mijn hoofd is niet het hoofd van Aziz Yahya, de mooie Salome kan dansen zoveel ze wil. Ja of nee, kijk naar mijn vleugels. Ik zink! Zoals het een wonder betaamt. VII. Als ik een architect van een vesting zou zijn, zou ik dan voor mezelf een pyramide laten bouwen? Nee, nooit! Dat is niets voor mij! Als ik de appelboomgaard van Max Jacob zou kopen, als ik de appelwijngaard, de velden zou begieten – dan zou ik hem van zijn ondankbare erfgenamen kopen –. Naderhand een paraplu van Chinese zijde: opdat de witte wereld van Ömer niet nat wordt in de aprilregens van Parijs. VIII. De schaduw van de herder waart rond in de diepten van het ravijn. Zijn lege regencape rust achter de waterval; de herder is halverwege het ravijn. De Balkanadelaar Ömer Kaleşi ziet dit alles met zijn vrije oog helemaal vanuit de hoogten, zoekend naar de slang die het konijn in zijn hol belaagt. Ömer Kaleşi is halverwege de hemel. Hij zoekt de zaden van rust om in het ravijn uit te strooien. IX. Het hoofd van een vrouw zonder lichaam op de Arago Boulevard in Parijs in de stam van een paardenkastanje. (Stelt u zich zoiets voor!) Hij en ik – Als ik “Ik!” heb gezegd, Ömer Kaleşi, zijn wij ook allebei vrij terwijl hij zich verbergt, ik, een vers lijf verbeeld, leeftijdsloos! Lichaam. borsten, benen, een vochtig dal en zijn schaduw die de sneeuw doet smelten Op de bergen van Taurus in Turkije. X. (Een mensenhoofd zwijgt als een schilderij. Laten we samen luisteren): De waanzin heeft geen lichaam nodig, hersenen vormen de beginfase van menswording We herinneren ons de geliefde door haar gezicht, kijken naar haar heupen en haar borsten zien haar gezicht. Zoals dit, bijvoorbeeld: Een wereld zonder subject, zonder predicaat, zonder verbum! Een geïnhaleerde, gemummificeerde zin. Geen lichaam nodig! God en de duivel zijn na mij geboren! XI. “ De Gotische windroos” hoe kwam die in het wit van het schilderij terecht, want er is geen zwart. Geen! Ik kan niets bedenken het woord van mijn opa de boswachter: Speel niet met de natuur kind! Open haar als een heilig boek als je haar al kunt openen lees haar dan als een goddelijk teken over de eeuwige en oneindige toestanden van een weduwe. (Zo leerde hij de wereldkosmos kennen). Zorg dat je het werk van vandaag afmaakt, vooral doen! zei hij nog. Maar ik ben de wisselaar van “morgen”, een goudsmit verliefd op de rondwaaiende winden. XII. Boerengezichten in de geur van een carbidlamp! Hoe vul je zoveel mensenmonden Ömer? Een mens kan niet weten, of zij honger hebben of vol zijn. Maar kijk goed naar hun ogen dan begrijp je het wel. Trouwens je kijkt en begrijpt. Hoe kun je hun blikken weerstaan Ömer? Kom niet te dichtbij of je zult verbranden en ons nog aansteken! De sazdichter, de troubadour Ömer, de derwisj van de Balkan zonder schoenen, blootsvoets, Verzamelt het Stof van de Wereld. © Sytske Sötemann, 2009 |
| (Terug) | |