Sytske Sötemann

Turkse poëzie in Nederlandse vertaling

Hollandaca'da Türkçe şiir




Bejan MATUR (1968)


YEDİ GECE - YEDİNCİ GECE - VI

Bir oǧul önce ölümündür

Yine oldu.
Bir uçuşun aǧırlıǧını duydum
Açılmayan ruhun kanıtlarını.
Gitmek isteseydik çoktan doldururduk
Yeryüzünü
Ama yapamadık.
Bir şey tuttu bizi
Korkudan fazla
Şefkate yakın bir şey
Tuttu bizi.
Tozlar havalandı sonra.
Adı kutsal olan bir köprüden
Geçip gitti sular.
Kimsenin bilmediǧi damarlarda
Birikti aşk
Ve adı İbrahim kondu.
Çocukların ve herkesin babası olan.
İbrahim bir göl kıyısında aǧlarken
Hiç üzgün deǧildi.
Üzgün deǧildi hiç kurbanını taşırken.
Bir oǧul önce ölümündür
Ölümündür bir oǧul.

Şimdi bu avludan
Bu renklerden geçerek
Oluşan bakış
Dünyayı görecektir.
Yeryüzü
Yeryüzününolmayan uzam
Duyguların çekilmesi ve dönmesi
İnsanı Tanrı'ya kavuşturur.
Önce ve sonra
Hep belki de
Belirsizlik
Bir belirsizlik olarak kaldıǧında
Karar olacaksa,
Tanrı insanı bahçede uyutmakla
İlk işareti sundu.ğ
İlk işaret aşktı.
Uyuyun ve aşk deyin adına.
Aynı rüyada ilerleyin
Aynı bahçe
Aynı anne
Ve İbrahim Tanrısını bilecek olan.

© Bejan MATUR, 2007
İbrahim'in Beni Terketmesi   Metis Yayınları İstanbul


ZEVEN NACHTEN - DE ZEVENDE NACHT - VI

Een zoon is eerst van de dood

Weer gebeurde het.
Ik voelde de zwaarte van een vlucht
De vleugels van een ziel die zich niet opent.
Hadden we het gewild dan hadden we de aarde 
Allang gevuld
Maar we konden het niet.
Iets hield ons tegen
Iets meer dan angst
Dichtbij genegenheid
Hield ons tegen.
Vervolgens vloog er stof in de lucht.
Onder een brug met een heilige naam 
Gleed het water voorbij.
In bloedvaten die niemand kende
Woekerde de liefde
En ze noemden hem Abraham.
Hij die de vader is van kinderen en van allemaal.
Abraham huilde aan de oever van een meer 
Terwijl hij volstrekt niet verdrietig was.
Hij was volstrekt niet verdrietig toen hij zijn offer droeg.
Een zoon is eerst van de dood
De dood heeft een zoon.

Nu zal de blik die ontstaat
Bij het passeren van deze binnenplaats
Van deze kleuren
De wereld zien.
De aarde
De ruimte die geen aarde is
De gevoelens die komen en gaan
Brengen de mens tot God.
Al is het een besluit
Wanneer voordien en nadien
En altijd misschien
Onzekerheid
Een onzekerheid blijft,
God gaf door de mens in de tuin te laten slapen
Het eerste teken.
Het eerste teken was liefde.
Slaap en noem het liefde.
Ga door met dezelfde droom
Dezelfde tuin
Dezelfde moeder
En Abraham die zijn God zal kennen.

© Sytske Sötemann, 2017  
Akrostiş, Nederlands-Turks tijdschrift voor literatuur en kunst

YUVA

Bir ev
Konuşma evimiz
Bozkırın
Ve taşların evi.
Ölümün ve zalim babanın
Baba oluşunun.
Kayaların toprağa gömülü varlığı neyse
Bizim için o olan bir ev.
Bir gece ateş yakılacak
Ve uğultudan etekleri dalgalanan bir kadın
Varlığı belleyecek bir eli
Bir bakışı hayatı sanacak.
Şimdi senden gitmenin sabahı
Yaşanmamış sayılacak.
Günlerden ve gecelerden gitmen
O eve varman.
Hatırla
Sendin balçık ve tozla
Duvarlarını ören evimizin.
Ellerin ellerin olduğunda
Başlayan sorular hiç bitmedi.
An? dedin
Yara? sonra
An nedir?

Seninle benim aramda dağlar oluşabilir
Dediğimde inanmadın.
Ama bak oluşuyor işte.
Bozkır bitiyor ve başlıyor dağlar
Acı başlıyor.
Beraber bir geçmişe ağladığımızda
Giden bir kız kardeşin ardından
Atılan taşlar
Kavuşmak içinse
O gecedir.
Bizden alınan bir kız kardeşin
İçimizde açtığı
Dönecektir elbette
Ve bitmeyecektir.
Hiç görülmemiş bir hesap
Zaman boyunca süren
Bizi ağlattığında
Büyümüşüzdür artık.
Adı konmuştur
Bakışlardan önce.
Bizden istenen güçlü olmamızdır
Cesarettir bizden beklenen.
An dediğinde sen
Tüm anlardan önce
Tekrarlanacak olan oluştur.

Babanın olan oluşu
Ve kanlar içinde uyuman senin
Uyanman.
Kanlar içinde bırakılman o gecede.
Ne içindir?
Bu güne varmak
Bu güne varmak
Zaman için sonsuz sayıda olan anlardan
Bir anda
Bakman
Ölüm gibi.
Ve korku gelir sonra.
Bırakmanın
Bırakılmanın korkusu gelir.
Beni bırakma dedin
Beni tut derdim ben.
Tut beni.

© Bejan MATUR, 2008
İbrahim'in Beni Terketmesi   Metis Yayınları İstanbul


THUIS

Een huis
Ons huis waar we praten
Een huis van de steppe
En van steen.
Van de dood en de tirannieke vader
Van het vader worden.
Zoals van rotsen het bestaan diep geworteld is in de aarde
Zo moet voor ons een huis zijn.
Op een nacht zal men een vuur aansteken
En een vrouw wier rokken golven op het zuchten van de wind
Zal een hand duiden als haar bestaan
Een blik als haar leven beschouwen.
Nu zal de ochtend van het afscheid van jou
Als niet beleefd worden beschouwd. 
Je afscheid van dagen en nachten
Je aankomst in dat huis.
Je moet het je herinneren 
Jij was het die met slib en stof 
De muren van ons huis optrok.
Toen je handen jouw handen waren
Hielden de vragen die begonnen nooit meer op.
Ogenblik? vroeg je
Doet dat pijn? en dan
Wat is ogenblik?

Er kunnen bergen tussen jou en mij ontstaan
Toen ik dat zei geloofde je me niet.
Maar kijk dan ze ontstaan.
De steppe eindigt en de bergen beginnen
De pijn begint.
Het is die nacht
Toen we samen over een verleden huilden
En een zusje bij haar vertrek
Stenen kreeg na gegooid
Zodat we elkaar terug zouden zien.
Wat een zusje dat van ons werd afgenomen
Bij ons vanbinnen heeft losgemaakt
Zal zeker terugkomen
En niet voorbijgaan.
Als een nooit vereffende rekening
Die de tijd heeft doorstaan
Ons aan het huilen maakt
Dan zijn wij allang groot.
Zelfs voordat je er een blik op kan werpen
Heeft het al een naam gekregen.
Van ons wordt verlangd dat we sterk zijn
Er wordt moed van ons verwacht.
Wanneer jij nog voor alle ogenblikken
Praat over een ogenblik
Moet het ontstaan worden herhaald.
 
De vader die tiran wordt
En jij die in bloed slaapt
Jij die ontwaakt.
Die nacht waarin jij achterblijft in bloed. 
Waarom?
Om op deze dag aan te komen
Juist op deze dag
Op dat ene ogenblik
Uit de voor de tijd ontelbare ogenblikken
Sta je te kijken
Als de dood.
En dan komt de angst.
Komt de angst voor het verlaten
Voor het verlaten worden.
Verlaat me niet zei jij
Houd me vast wilde ik zeggen.
Houd me vast.

© Sytske Sötemann, 2017  
Akrostiş, Nederlands-Turks tijdschrift voor literatuur en kunst

AZİZİN KARARAN GÜLLERİ

I

Yıldızların
Yıldız olmak hakikatinden
Kurtulamadıkları o yerde
Beklenen sabah değildir artık.
Beklenen korkudur yüreklerde.
Ayaklarını soy ve çık tepelere
Tepelerin acısını duy
Duy varlığını
Neden yaratıldığını ve öylece kaldığını.
Ay tanrısı güneşe bakıyor
Ve bir tanrı daha oluyor.
Derken zaman yaşlanıp
Akmıyor.
Gece yol alan atalarından söz ediyor biri
Gece gittiği için haccı bitmeyen atalarından
Onlar hep gece yol aldılar
Bu yüzden insan oldular diyor
Miraçları mutlaktı.
Kalpteydi.

II

Bir taşın işlediği yakınlık
Geçmişten bugüne
Taşınan bekleyiş.
Tapınma ve ışığın ölümü söylediği
Ve insanların ceylanlar kadar kardeş olduğu
Ve çölün açlığı bilmediği.

III

Bir kadın göğsünde kavuşturduğunda ellerini
Ne istemektedir.
Ne söylemektedir bir kadın.
En fazla yılanlardan istenen aşk
En çok ondan korkulur çünkü.
Eski bir dilin gizlediğini
Açıklayacak olan kalptir yine de
Taşta yer eden
Birleşmesidir ruhla yaradılışın
Birleşmesidir insanın tanrıyla o sadelikte.
Herkesin bir miracı var.
Benimki o tepeleri yürüdüğümde
Bana fısıldanan sózdeydi.
Yükselişim kanatlarımı gösterdi bana
Ve olmayan isteği hatırlattı.
Ne istiyordum?
Ne istiyordum taşlarda ilerleyen yaradılıştan.
Bir işaret binlerce yıldan
Bir işaret aşk olan.

Aşk,
İnsanın
Geldim
Buradayım
Demesinin bilinci.
Ve siyah güller
Sonra azizin gülleri göründü bana
Azizin kararan gülleri
Kelimeler...
Gülleri unuttursa da rüzgar
Bir yansıma hep var sularda.
Güzelliğin odağı olan istek
Hep var.
O istek açıldığında
Yalnızlık hiç olmadığı kadar yakındır insana
Ve gövde hiç durmadan açlığı işler.

© Bejan MATUR, 2008
İbrahim'in Beni Terketmesi   Metis Yayınları İstanbul


DE DONKERENDEN ROZEN VAN DE HEILIGE

I.

Het is nog niet de verwachte ochtend
Waarop de sterren
Niet kunnen ontsnappen
Aan de waarheid ster te zijn.
Het is de verwachte angst in de harten.
Ontbloot je voeten en klim de heuvels op 
Voel de pijn van de heuvels
Voel hun bestaan
Waarom ze geschapen zijn en zo gebleven.
De maangod kijkt naar de zon
En er verschijnt nog een god.
Dan veroudert de tijd en
Stroomt niet meer.
Iemand spreekt over zijn voorouders die 's nachts onderweg waren
Over zijn voorouders van wie de pelgrimage nooit ophield
Want altijd waren ze 's nachts onderweg
Daarom werden ze mens zegt hij
Ze waren zeker van hun hemelvaart.
Die was in het hart.

II.

De nabijheid vervaardigd door een steen
Het wachten vervoerd
Van verleden naar heden.
Wanneer aanbidding en licht zingen over de dood 
En mensen samen zijn zoals gazellen
En de woestijn geen honger kent.

III.

Als een vrouw haar handen voor haar borst vouwt
Wat wil ze dan?
Wat zegt een vrouw?
Want liefde die van slangen wordt gevraagd
Is wel het allermeest gevreesd.
Wat een oude taal geheimhoudt
Zal het hart toch onthullen
Wat gekerfd staat in steen 
Is de eenwording van ziel en schepping
In die eenvoud ligt de eenwording van mens en god.
Iedereen heeft een hemelvaart.
De mijne was in het woord dat me werd toegefluisterd
Toen ik door die heuvels wandelde.
Mijn klim liet me mijn vleugels zien
En herinnerde me aan mijn verscholen wens.
Wat wilde ik?
Wat wilde ik van de schepping die zich voortzet in steen?
Een teken van duizenden jaren
Een teken dat liefde was.

Liefde,
Het vermogen van een mens
Om te zeggen
Ik ben gekomen
Hier ben ik.
En daarna verschenen er zwarte rozen
Voor mij de rozen van de heilige 
De donkerenden rozen van de heilige
Woorden...
Ook als de wind de rozen doet vergeten
Is er altijd een weerspiegeling in het water. 
Het verlangen het brandpunt van schoonheid 
Is er altijd.
Wanneer dat verlangen zich openbaart
Is eenzaamheid de mens dichter dan ooit genaderd
En bevecht het lichaam onophoudelijk de honger.

© Sytske Sötemann, 2017  
Akrostiş, Nederlands-Turks tijdschrift voor literatuur en kunst