Sytske Sötemann

Turkse poëzie in Nederlandse vertaling

Hollandaca'da Türkçe şiir


Moderne Turkse poëzie

Moderne Turkse poëzie

Tweetalig: Turks-Nederlands
Bindwijze: Gebonden
Pagina's: 768
Prijs m.i.v. 9 november 2012:
€ 20.00 excl. verzendkosten


Speciale regeling voor boekhandels


Samengesteld door Mehmet Emin Yıldırım, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin

In Turkije leeft de poëzie onder de mensen. Dichters worden gehoord, gelezen en gezongen. En dichters luisteren. Een bloemlezing van moderne Turkse poëzie staat daarom midden in de Turkse geschiedenis en samenleving – en legt haarscherp getuigenis af van alle turbulenties. De Turkse poëzie zelf heeft in de twintigste eeuw eveneens diverse revoluties doorgemaakt. Van de traditionele divanpoëzie tot aan het vrije vers, van eenvoudige poëzie voor de massa tot introspectieve verzen waarin de taal centraal staat.

Turken kennen hun dichters. Met de toenemende banden tussen Nederland en Turkije is de tijd rijp om het Nederlandse publiek kennis te laten maken met de Turkse poëzie. Deze tweetalige editie is het resultaat van een vertaalproject van de Leidse universiteit, waarvoor veertig belangrijke Turkse dichters van de twintigste eeuw werden vertaald door diverse docenten en (oud-)studenten. Een bloemlezing vol verrassingen, die een totaaloverzicht geeft van de intense en dynamische poëzietraditie in het Turkije vanaf het begin van de vorige eeuw.

Mehmet Emin Yıldırım (1952) doceert Turkse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Sytske Sötemann (1947) is vertaalster van Turkse poëzie en gepromoveerd op Turkse poëzie uit het begin van de twintigste eeuw. Mehmet Çetin (1955) is dichter en publiceerde meerdere dichtbundels en korte verhalen.

Hieronder een kleine selectie...


Ahmed ARİF

AKŞAM ERKEN İNER MAHPUSHÂNEYE

VROEG DAALT DE AVOND OVER DE GEVANGENIS

Akşam erken iner mahpushâneye 
Ejderha olsa kâr etmez. 
Ne kavgada ustalığın, 
Ne de çatal yürek civan oluşun, 
Kâr etmez, inceden içine dolan, 
Alıp götüren hasrete. 

Akşam erken iner mahpushâneye. 
İner, yedi kol demiri, 
Yedi kapıya. 
Birden, ağlamaklı olur bahçe 
Karşıda duvar dibinde. 
Üç dal gece sefâsı, 
Üç kök hercai menekşe... 

Aynı korkunç sevdâdadır 
Gökte bulut, dalda kaysı. 
Başlar koymaya hapislik. 
Karanlık can sıkıntısı... 
Kürdün Gelini'ni söyler maltada biri 
Bense volta'dayım ranza dibinde 
Ve hep olmayacak şeyler kurarım, 
Gülünç, acemi, çocuksu... 

Vurulsam kaybolsam derim, 
Çırılçıplak, bir kavgada. 
Erkekçe olsun isterim, 
Dostluk da, düşmanlık da. 
Hiçbiri olmaz, halbuki, 
Geçer süngüler namluya. 
Başlar gece devriyesi jandarmaların... 

Hırsla çakarım kibriti... 
İlk nefeste yarılanır cıgaram, 
Bir duman alırım, dolu,
Bir duman kendimi ölduresiye.
Biliyorum, "sen de mi?" diyeceksin, 
Ama akşam erken iniyor mahpushâneye. 
Ve dışarda delikanlı bir bahar, 
Seviyorum seni, 
Çıldırasıya...

© Ahmed ARİF, 1968
Hasretinden Prangalar Eskittim   Ankara
Vroeg daalt de avond over de gevangenis.
Zelfs als draak begin je daar niets tegen.
Noch je kundigheid in de strijd
Noch je dappere heldenhart
Wapenen je tegen weemoed
Die zich zachtjes in je nestelt, je verteert.

Vroeg daalt de avond over de gevangenis.
Zeven stalen bomen worden neergelaten,
Sluiten zeven poorten af.
En dan plotseling treurt de tuin
Daar aan de voet van de muur.
Drie takken nachtelijke rust
Drie wortels driekleurige viooltjes...

In dezelfde vreselijke liefde
Hangt de wolk in de lucht, de abrikoos aan de tak.
De gevangenschap begint zwaar te vallen.
De duisternis is beklemmend...
Op het eiland zingt iemand de ‘Koerdenbruid’
Terwijl ik op en neer loop langs de kooien
En aldoor onmogelijke dingen verzin,
Lachwekkende, onhandige, kinderlijke...

Werd ik maar neergeschoten, verslagen, zeg ik
Spiernaakt, in een gevecht.
Waren vriendschap en vijandschap
Maar even manhaftig.
Maar dat kun je vergeten,
Bajonetten worden op lopen gezet.
De nachtronde van de bewakers begint...

Gretig strijk ik een lucifer af...
Met de eerste trek wordt mijn sigaret gehalveerd,
Ik inhaleer diep, heel diep.
Een teug zal mijn laatste zijn,
Ik weet het, ‘ jij ook al?’ zul je zeggen,
Maar vroeg daalt de avond over de gevangenis.
En buiten is het hevig lente,
Ik ben gek op je,
Stapelgek...

© Sytske Sötemann, 2009  


Ahmed ARİF

İÇERDE

IN DE CEL

Haberin var mı taş duvar?
Demir kapı, kör pencere,
Yastığım, ranzam, zincirim,
Uğruna ölümlere gidip geldiğim,
Zulamdaki mahzun resim,
Haberin var mı?
Görüşmecim yeşil soğan göndermiş,
Karanfil kokuyor cigaram
Dağlarına bahar gelmiş memleketimin...

© Ahmed ARİF, 1968
Hasretinden Prangalar Eskittim   Ankara
Heb je het gehoord stenen muur?
Stalen deur, blind venster,
Kussen, matras en ketenen van me,
Treurige foto in mijn schuilplaats,
Die nog bijna mijn dood was,
Hebben jullie het gehoord?
Mijn bezoek heeft groene lente-uitjes meegebracht,
Mijn sigaret ruikt naar anjers
Thuis in de bergen is de lente begonnen...

© Sytske Sötemann, 2009  


Ahmet HAŞİM

MUKADDİME

PROLOOG

                              Karaosmanzâde Câvide Hayri Hanımefendi'ye

Zannetme ki güldür, ne de lâle
Âteş doludur, tutma yanarsın
Karşında şu gülgûn piyâle...

İçmişti Fuzuli bu alevden,
Düşmüştü bu iksir ile Mecnûn
Şi'rin sana anlattığı hâle...

Yanmakta bu sâgardan içenler,
Doldurmuş onunçün şeb-i aşkı
Baştanbaşa efgân ile nâle...

Âteş doludur, tutma yanarsın
Karşında şu gülgûn piyâle!..

© Ahmet HAŞİM, 1926
Piyale   İstanbul
			Voor mevrouw Karaosmanzâde Câvide Hayri

Houd dit niet voor een roos, of een tulp
Raak hem niet aan, vol van vuur als hij is
Want branden zul je je aan deze rozenkelk ...

Fuzulî heeft van deze vlam gedronken,
En wat Mecnun door dit elixer overkwam
Dat vertelt je het gedicht ...

Branden zullen zij die uit deze beker drinken,
Daarom is de nacht der liefde
Vervuld van droefheid en verdriet ...

Raak hem niet aan, vol van vuur als hij is
Want branden zul je je aan deze rozenkelk!..

© Sytske Sötemann, 2009  


Ahmet HAŞİM

MERDİVEN

DE TRAP

Ağır, ağır çıkacaksın bu merdivenlerden, 
Eteklerinde güneş rengi bir yığın yaprak, 
Ve bir zaman bakacaksın semâya ağlayarak... 

Sular sarardı... yüzün perde perde solmakta, 
Kızıl havâları seyret ki akşam olmakta... 

Eğilmiş arza, kanar, muttasıl kanar güller 
Durur alev gibi dallarda kanlı bülbüller, 
Sular mı yandı? Neden tunca benziyor mermer?

Bu bir lisân-ı hafîdir ki rûha dolmakta 
Kızıl havâları seyret ki akşam olmakta...

© Ahmet HAŞİM, 1926
Piyale   İstanbul
Traag zul je deze trappen tree voor tree bestijgen,
Bladeren van zonnekleur dwarrelend aan je zomen,
En heel even zul je huilend opzien naar de hemel ...

Het water vergeelt ... je gezicht verbleekt langzaam,
Aanschouw de rode lucht, de avond kondigt zich aan ...

Naar de aarde gebogen bloeden aanhoudend de rozen,
Takken als vlammen, nachtegalen die daar bloedig verpozen,
Brandde het water? Waarom lijkt marmer op brons?

De ziel is doordrenkt van deze verholen taal,
Aanschouw de rode lucht, de avond kondigt zich aan ...

© Sytske Sötemann, 2009  


Arkadaş Zekai ÖZGER

FERHAT

FERHAT

kara yeller ak yelleri dövende
sevdanı yüreğine kuşat
al sesimi vur kanının gümbürtüsüne
zamanıdır dağları delmenin, Ferhat

dağların başı yaslı
Ferhat'ın sevdası kan ağlar
yüreğin sağlam, bileğin güçlü Ferhat
istesen dağlar dağlar...

ateşi üfle Ferhat
körüğü iyi kullan
bu can bunca hasrete dayanır
soludukça içime sevdan

sevdan ki bir yakıcı kuştur yüreğimde
gümbürder zulme karşı kan gibi
ölürsem dağlar için ölürüm Ferhat
kalırsam vuruşkan şahan gibi

© Arkadaş Zekai ÖZGER, 1974
Şiirler   Ankara
omsingel op de dorsslede de noord en zuidwester
omgord je hart met je hartstocht
neem mijn stem, sla hem tegen het bonken van je bloed
het is tijd om de bergen te slechten, Ferhat

de bergtoppen zijn bedroefd
Ferhats hartstocht huilt bloed
je hart is gezond, je pols krachtig Ferhat
als je wilt zijn er bergen genoeg...

blaas het vuur aan Ferhat
gebruik de blaasbalg goed
deze ziel steunt des te heviger op verlangen
naarmate jouw hartstocht bij mij verbleekt

jouw hartstocht is een brandende vogel in mijn hart,
bonkt als bloed tegen de onderdrukking
als ik sterf, dan voor de bergen, Ferhat
blijf ik in leven, dan als een krijgshaftige valk

© Sytske Sötemann, 2009  


Ataol BEHRAMOĞLU

KUŞATMADA

OMSINGELD

Kuşatma altında vermem gerekiyor
Ömrümü etkileyecek kararları.
Kuytu bahçelerde değil
Sarsak odalarda yaşıyorum aşkı.

En güzel dizeyi buluyorum derken
Bozuyor düşümü bir klakson sesi
Aklımda hayatım üstüne düşünceler
Ve pantolonumdaki yağ lekesi.

Sırıtkan, sırnaşık bir reklam spotu
Ekleniyor sonuna duygulu bir filmin
Sevgi yitiriyor anlamını
Kaypaklaşıyor kin.

Bir çocuk ölüsüyle yan yana
Yaşıyor içimde gülen çocuk.
Katıksız sevinç duymayı
Ve üzülmeyi artık unuttuk.

Gök diye bir şey vardı bir zaman
Sonsuz, engin, mavi
Şimdi sünepe bulutların
Hasta köpekler gibi gezindiği

Ve dalgakıranlarla zincirlenmiş deniz
Gitgide çürüyen bir su olmada artık
Akıtmada zehrini doğaya
İçimizdeki bataklık...

Kuşatma altında vermem gerekiyor
Ömrümü etkileyecek kararları,
Fakat hiçbir şey kurutamayacak
Çorak topraklarda yeşerttiğim aşkı…

© Ataol BEHRAMOĞLU, 1978
Kuşatmada   İstanbul
Omsingeld moet ik besluiten nemen
Die mijn bestaan zullen beïnvloeden.
Niet in afgelegen tuinen
In vervallen kamers beleef ik de liefde.

Net op het moment dat ik de mooiste regel vind
Wordt mijn droom verstoord door het geluid van een claxon
Door al die gedachten in m’n hoofd over mijn leven
En door de vetvlek op m’n broek.

Een grijnzend, opdringerig reclamespotje
Wordt aan het slot van een gevoelige film gezet
De liefde verliest zijn betekenis
Onbetrouwbaar wordt de haat.

Bij mij vanbinnen leven zij aan zij
Het lachende kind en een kinderlijk.
Verder zijn we vergeten pure vreugde
Te voelen en echt verdriet te hebben.

Eens was er iets dat hemel heette
Eindeloos, weids, blauw
Nu dwalen trage wolken
Rond als zieke honden

En de zee geketend door golfbrekers
Wordt nu geleidelijk een rottend water
Laat zijn gif in de natuur uitstromen
Het moeras in ons...

Omsingeld moet ik besluiten nemen
Die mijn bestaan zullen beïnvloeden,
Maar niets zal de liefde kunnen verdorren
Die ik heb laten ontkiemen in de onvruchtbare aarde...

© Sytske Sötemann, 2009  


Birhan KESKİN

FERAH AYİNİ

VREUGDERITE

Dünyanın bir yerinde, burada, 
bir göl öylece duruyor. 
Mavi eflatun bir sabah
Dünyanın bir yerinde
kendini yavaş yavaş kuruyor.
Bir kadın, benden biraz küçük,
ılık ılık, bana dünyayı,
sabahın hayretini anlatıyor:
(Bir su şiirinde ben, gürül gürül akan
aşağı illermişim eskiden)
Bir kadın, benden biraz küçük,
Sıçrayan Su olsun mesela adı,
üstümdeki sessiz örtüye yağıyor.
Burada, dünyanın bir yerinde,
bir göl, öylece duruyor,
Arkada dağlar var, onlar;
daha da dağ daha da dağ 
daha da dağ diye
benim eflatunuma vuruyor.
Bir şaman, burada, bir şaman davuluna
Sabah olana dek kayının kederiyle vuruyor.

© Birhan KESKİN, 2005
Ba   İstanbul
Ergens op de wereld, hier,
bevindt zich een meer.
Een lavendelblauwe ochtend
vormt zich langzaam
ergens op de wereld.
Een vrouw, wat jonger dan ik,
vertelt mij warm over de wereld,
over de verwondering van de ochtend:
(Eens was ik, in een watergedicht, de lage landen
die luidruchtig stroomden)
Een vrouw, wat jonger dan ik,
noem haar bijvoorbeeld Spetterend Water,
regent op de stille deken over mij heen.
Hier, ergens op de wereld,
bevindt zich een meer,
daarachter liggen de bergen;
zij slaan mijn lavendel
en zeggen meer bergen, 
nog veel meer.
Een sjamaan, hier, slaat op een sjamanentrommel
tot aan de ochtend met het verdriet van een beuk.

© Sytske Sötemann, 2009  


Birhan KESKİN

TAŞ

DE STEEN

İlk benim yüzüme rastladınız, en eskisiyim buranın. 
Karnıyım dünyanın. Yeryüzünün ağrısı bendedir.
Kum ve kayaç benim.
Issızlık bilgisiyim ben, sessizlik bilgisi. 
Dumanın ve kalmanın büyük planıyım.
Her şeyi gördüm, her şeyi. Suyun gidişini, ağacın çiçeklenişini. 
Tekrar tekrar gördüm ben daha da görürüm. Büyük Zaman, benim.
Denizler dalgalar dövdü beni, sert rüzgârlar yurt bildi zirvelerimi. 
Kırıldım, söküldüm, ufalandım; döndüm bitiştim tekrar kendime 
açsan, kırsan, baksan; bütün yeryüzü, her zerremde.
Taş taşıdım, içim kendimden yorgun benim, dilim çok uzun bir 
                                                                                                              yankı. 
En eskisiyim ben buranın.

© Birhan KESKİN, 2005
Ba   İstanbul
Het eerst ontmoette u toevallig mijn gezicht, ik ben de oudste van hier.
Ik ben de buik van de wereld. De pijn van de hele wereld zit in mij.
Zand en steen ben ik.
Ik ben de kennis van de verlatenheid, de stiltewetenschap.
Ik ben het grote plan van stilstaan en blijven. 
Alles heb ik gezien, alles. De wijze waarop het water stroomt, 
                                                                                  de boom in bloei staat.
Telkens weer zag ik dat en zie ik het nog. De Grote Tijd, ben ik.
Zeeën, golven sloegen over mij heen, harde winden bouwden 
                                                                             van mijn toppen hun land.
Ik brak, werd uiteen gerukt, in stukken gehakt; ik keerde om raapte 
                                                                                       mezelf weer bijeen,
maak me maar open, breek en bekijk me; de hele wereld zit in elke 
                                                                                             vezel van mij.
Ik droeg steen, ik ben moe van mezelf, mijn taal is een zeer lange echo.
Ik ben de oudste van hier.

© Sytske Sötemann, 2009  


Can YÜCEL

SERÇELEME

LOFLIED VOOR DE MUSSEN

Çok oldunuz be serçeler
Kapatırım şimdi kapıyı
Dedim
Dinlemediler beni
Ben de kapatmadım kapıyı
Varsın dinlemesinler

© Can YÜCEL, 1982
Rengâhenk   İstanbul
Zeg mussen, jullie maken het wel een beetje te bont
Ik zal nu de deur maar eens dichtdoen
Zei ik
Ze luisterden niet naar me
En ik deed de deur niet dicht
Laat ook maar ze luisteren toch niet

© Sytske Sötemann, 2009  


Can YÜCEL

VASİYET

DE LAATSTE WIL

beni kuzum datçaya gömün 
geçin ankarayı istanbulu! 
oralar ağzına kadar dolu 
alabildiğine de pahalı, 
örneğin zincirlikuyuda 
bir mezar 750 milyona 
burası nispeten ucuzluk 
ortada kalma tehlikesi de yok 
hayır dua da istemez, 
dediğim gibi beni datçaya gömün 
şu denizi gören mezarlığın orda, 
gömü sanıp deşerlerse karışmam ama! 

© Can YÜCEL, 1999
Mekânım Datça Olsun   İstanbul
begraaf me in mijn geliefde datça
laat ankara, istanbul maar zitten!
het is daar veel te vol
en onvoorstelbaar duur,
in zincirlikuyu bijvoorbeeld
kost een graf je 750 miljoen lira
hier is het relatief goedkoop
bovendien loop je geen gevaar dakloos te worden
en bidden om de zegen is evenmin vereist,
zoals ik zei, begraaf mij maar in datça
daar op die begraafplaats met zicht op zee,
maar als ze een schat opgraven	
		heb ik er niets mee te maken!

© Sytske Sötemann, 2009  


Cemal SÜREYA

ÖNCELEYİN

TOEN IN HET BEGIN

Önce bir ellerin vardı yalnızlığımla benim aramda
Sonra birden kapılar açılıverdi ağzına kadar
Sonra yüzün onun ardından gözlerin dudakların
Sonra her şey çıkıp geldi

Bir korkusuzluk aldı yürüdü çevremizde
Sen çıkardın utancını duvara astın
Ben masanın üzerine koydum kuralları
Her şey işte böyle oldu önce

© Cemal SÜREYA, 1958
  Üvercinka İstanbul
In het begin waren er jouw handen tussen mijn eenzaamheid en mij
Toen openden zich plotseling de deuren wagenwijd tot aan je mond
Toen je gezicht daarna je ogen je lippen
Toen kwam alles tevoorschijn

Een pure vrijmoedigheid kwam er over ons
Jij trok je schaamte uit hing haar aan de muur
Ik gooide de regels over tafel
Alles was toen zo in het begin

© Sytske Sötemann, 2009  


Edip CANSEVER

MASA DA MASAYMIŞ HA

TJONGE, WAT EEN TAFEL WAS DAT

Adam yaşama sevinci içinde
Masaya anahtarlarını koydu
Bakır kâseye çiçekleri koydu
Sütünü yumurtasını koydu
Pencereden gelen ışığı koydu
Bisiklet sesini çıkrık sesini
Ekmeğin havanın yumuşaklığını koydu

Adam masaya
Aklında olup bitenleri koydu
Ne yapmak istiyordu hayatta
İşte onu koydu
Kimi seviyordu kimi sevmiyordu

Adam masaya onları da koydu
Üç kere üç dokuz ederdi
Adam koydu masaya dokuzu
Pencere yanındaydı gökyüzü yanında
Uzandı masaya sonsuzu koydu
Bir bira içmek istiyordu kaç gündür
Masaya biranın dökülüşünü koydu
Uykusunu koydu uyanıklığını koydu
Tokluğunu açlığını koydu.

Masa da masaymış ha
Bana mısın demedi bu kadar yüke
Bir iki sallandı durdu
Adam ha babam koyuyordu.

© Edip CANSEVER, 1954
Dirlik Düzenlik   İstanbul
De man vervuld van levensvreugde
Legde zijn sleutels op tafel
Zette de bloemen in de koperen vaas
Legde zijn melk en eieren op tafel
Legde het licht dat door het raam naar binnen viel neer
Het geluid van een fiets het geluid van een takel
De zachtheid van brood en de lucht legde hij neer

Al wat hem door het hoofd speelde
Legde de man op tafel
Al wat hij wilde doen in het leven
Ja dat alles legde hij neer
Van sommigen hield hij van anderen niet

Ook hen legde de man op tafel
Drie maal drie was negen
Hij legde de negen op tafel
Hij stond naast het raam naast de hemel
Reikte ernaar en legde het oneindige op tafel
Al dagen wilde hij een biertje drinken
Hij legde het schenken van het bier op tafel
Hij legde zijn slaap neer legde zijn waken neer
Zijn verzadiging en zijn honger legde hij neer.

Tjonge, wat een tafel was dat
Gaf geen krimp onder zoveel last
Wankelde even stond weer stil
En de man hij legde maar neer en neer.

© Sytske Sötemann, 2009  


Gülseli İNAL

BABİLONİA FAHİŞESİ

DE HOER VAN BABYLON

I. TABAKA
RH / IO2.9055

Üçgen bahçenin ucunda
Derinliklere kaymış gövdenin
			Kızılipleri
Gözün sarmal yasadaki 
Yeni bağıntı yosunuyla kendini salmış
Ağır taşların
			Ağırlığıyla
Ezginin asırlardır sürdüğü
Bu firavun kapısında
Utu kuşunun bekçilik ettiği beden kanat
Ra’ya yemin üzerine yemin etmişti
Sfenkslerin doğasında bulunan
Aslan boğa kartalla en yüce
Suç haritası açılmıştı
Nil vadisinde ölüler evinden yeni çıkılıyordu
Nehir bilinmezi besliyor
Lotus bir geçiş uğruna kıpırdıyordu
Çok unutkandı ve tüm renkleri içmişti

 
II  TABAKA
RD/ IO6.4

Nasturi
Gömme töreni adına
Kuşluk vakti
Tüm ağaçlar birden tutuşmuştu
Oradan buradan unutulmuş
Demir mazgallı halkalar
Kayalıkların mührüydü
İç ılıklık
Öbür
İç yağmurla
Beslenecekti
İç bölgeye
Tabana
Serpilen sedef safir sel
Üçlü üçgen
Kokulu çağla karma
Düzensizlik modüslerinde
Tek tük yere çarpılıyordu
Pembe bir kız
Sarı kıpkırmızı kesilmişti saçları
Sırtı siyah bir ayla yarık
Yeryüzü yasaktı betimde ve kalın kitapta
Zehirli otların yaşadığı bilinçsizlikti

© Gülseli İNAL, 2009
Toplu Şiirler   İstanbul
LAAG I
RH / 102.9055

Aan de top van de driehoekige tuin
Hadden de in de diepten gegleden rode draden 
				Van het lichaam
Zich verstrengeld met het mos van de beek
Tot een nieuwe verbinding volgens de wet van de spiraal
Met het gewicht
				Van zware stenen
Had de vogel van de zonnegod die met zijn machtige vleugel
Onder de eeuwenoude melodie 
De wacht hield bij de poort van deze farao
Ra een eeuwige eed gezworen
Met de leeuw de stier de adelaar in Sphinxen’ aard
Was de hoogste
Kaart van de zonde geopend
In de Nijlvlakte begon juist de exodus uit het dodenhuis
De rivier voedde het onbekende
De lotus trilde bij een enkel voorbijgaan
Was zeer vergeetachtig en had alle kleuren gedronken 


LAAG II
RD / 106.4

In naam van het Nestoriaanse
Begrafenisritueel
Haddden tegen de middag
Alle bomen plotseling vlam gevat
Hier en daar vergeten
Ringen met ijzeren gaten
Waren het zegel van de rotsen
Innerlijke warmte
Zou met andere
Innerlijke regen
Worden gevoed
Parel saffier en zout
Lagen verspreid over het binnenterrein
Over de bodem
De driehoekige driehoek
Vermengd met de geurige tijd
Was volgens de methoden van wanordelijkheid
Her en der over de grond uitgestrooid
Een roze meisje
Haar gelige knalrode haar was geknipt
Haar rug door een zwarte maan gespleten
De wereld was verboden op mijn gezicht en in het dikke boek
Waar de giftige kruiden leefden 
Stond vergetelheid

© Sytske Sötemann, 2009  


Gülten AKIN

RESİM YAPAN ÇOCUKLA OZAN

HET TEKENENDE KIND EN DE DICHTER

Eğip kumral başını öyle
Çizdiğin tayları usulca
Kaçırıyorum
Yüzlerce pegasus kentin üstünde

Limanında tavşan ayaklı sandalın
Serptiği gümüşten izleri
Sözüm uzanarak siliyor siliyor

Boz ve muhkem kış çobanlarını
Alıp iyon denizine götürüyorum
Bir elimde kekik bir elimde zeytin

Cenevizli görüntüye astığın uçan kuşları
Nasıl sevdin öyle, dokunamıyorum

Sonra bir sis çekiyorsun resminin yüzüne
Namlular tel dikenler ölüm üniforma
Elim ulaşamıyor, yüreğim ağzımda
Dilim lâl, sözlerim kırık

© Gülten AKIN, 1986
Günün Şiirleri   Ankara
Langzaam help ik de veulens vluchten
die je met je donkerblonde hoofd
zo gebogen tekende
Honderden pegasussen boven de stad

Al pratend wissen mijn woorden
in de haven de zilveren sporen
van de roeiboot met hazenpoten

De ruige en sterke winterherders
Breng ik naar de ionische zee
In mijn ene hand een takje tijm, in mijn andere olijf

Hoeveel hield je niet van de vliegende vogels die je ophing
Aan een genuees beeld, ik kan ze niet aanraken

Later trek je een mist over het aanzicht van je tekening
Geweerlopen prikkeldraad dood uniform
Mijn hand kan die niet bereiken, mijn hart ligt in mijn mond
Mijn tong is sprakeloos, mijn woorden zijn gebroken

© Sytske Sötemann, 2009  


Hilmi YAVUZ

DOĞUNUN ÖLÜMERİ

DE DODEN VAN HET OOSTEN

ölüm bir aşirettir doğuda

ayışığı gülden hoyrat
gölleri güzelden talandır
ve asi, durak bilmez ağıtlarıyla
uçsuz bucaksız turnalarını
kat kat gurbete dürmüş evvelbaharla
sevdası göçer olandır

ve bu nasıl bir serencâmdır
satılır umudu beye
hasreti bir meta gibi
		ve alınandır
ve tuzdan, bozkırdan ninnilerini
bir çığlık gibi mengeneden mengeneye
sokup çürüten rüzgârdır

türküsü ki eşkiyaya geniş
ve bir kekliğe dardır
ovası çelen bakışlı
ve bir fişekliğe dizilmiş
gibi omzu kuş nakışlı ağaçlarıyla
acıya pusu kurandır

ölüm bir aşirettir doğuda

© Hilmi YAVUZ, 1977
Doğu Şiirleri   İstanbul
de dood is een stam in het oosten

zijn maanlicht grover dan een roos
zijn meren beroofd van schoonheid
en zijn hartstocht trekt weg met zijn opstandige, 
onophoudelijke treurliederen, met de eerste lentes
die zijn grenzeloze kraanvogels voortdurend
op de vleugels doen gaan naar den vreemde

en wat is dit voor een belevenis
zijn hoop wordt verkocht aan een heer
zijn verlangen is als een waar
		en iets wat men koopt
en hij is de wind die zijn wiegenliedjes
van zout en vlakte als een schreeuw
in de tang neemt en laat verrotten

zijn lied is ruim voor een rover
en krap voor een patrijs
met zijn bomen wier blik de vlakte overziet
en wier gevederde schouders 
zijn gerangschikt als in een patroongordel
zet hij een val voor de pijn

de dood is een stam in het oosten

© Sytske Sötemann, 2009  


Lale MÜLDÜR

SU MÜZİĞİ

WATERMUZIEK

. . . camların içinde uyuyoruz . . . kelebekler/akrepler
yağıyor … yanımda o . . . yanımda artık hep o . . . klorofil . . . 
hiçbir şey yok sayılır oysa . . . hiçbir şey yok artık 
Orissa’da çalan bir lirden başka ... bir su gibi 
yürüyor unutuş . . . kedi tırmıklarıyla uyanıyorum... 
bir sis kedisi o . . . kristal çığlıklarıyla...........................
cama yapışmış bir kelebek ölüsü ... onun yüreği bu 
ya da benim . . . okyanusların kenetlendiği yerde bir
flamingo bağırıyor ... uyanır gibi oluyor . . . yok bir şey 
diyorum yok bir şey . . . orkideler/menekşeler/leoparlar 
yağıyor …. camların camların içinde uyuyoruz.........

© Lale MÜLDÜR, 1988
Uzak Fırtına   İstanbul
. . . wij slapen in glazen . . . vlinders/schorpioenen
regenen . . . hij naast mij . . . hij voortaan altijd naast mij . . .  chlorofyl . . .
bijna alsof er niets bestaat . . . niets bestaat er meer
behalve een welluidende lier in Orissa . . . vergetelheid stroomt 
als water . . . ik word wakker van het gekrab van een kat . . .
het is een mistkat . . . met zijn kristallen kreten.......................
het lijk van een vlinder plakt tegen het raam. . . dit is zijn hart
of het mijne . . . daar waar de oceanen worden verankerd 
schreeuwt een flamingo . . . hij lijkt wakker te worden . . . het is niets
zeg ik het is niets . . . orchideeën/viooltjes/luipaarden
regenen . . . wij slapen in glazen, binnen in glazen ........

© Sytske Sötemann, 2009  


Lale MÜLDÜR

TURKISH RED

TURKISH RED

türk kırmızısı düşüncesini yapan 
şairler abdallar ve gezgin âşıklar 
eski devir görgüsünce hazırlanmış 
bir içki sofrasına oturduğunda
		turkish red
çocuk sultanlar selçuklu çinilerindeki 
kırmızılara bakarak ağladığında 
		turkish red
istridyenin yenme yöntemi & servisi 
salona giriş & peçetelerin kullanılışı 
sofra hizmetlilerinin giyinişi & davranışı 
restorana giriş & restoranda oturuş 
atnalı ziyafet masaları ve Fırat geceleri 
gibi şeyleri düşündüğümde
		turkish red
kulaklarında ay-yıldızlı küpeleriyle 
oturan bir azeri kızı düşününce
the köprünün ışıkları ve onun suda 
titreşen akisleri arasında
bağlantı kuruyorum
suyu hep bir kolye
köprüyü ay-yıldızlı bir beden olarak düşünüyorum 
	(*  
	-------- = türk
	köprü
bir köprü gibi
	kendimden ayrılıp
bir türk gibi, kırmızı, ağlıyorum, turkish red

© Lale MÜLDÜR, 1991
Seriler Kitabı   İstanbul
zij die het begrip turks rood bedachten zijn 
de dichters derwisjen en zwervende troubadours
toen zij aan de borreltafel zaten
die was gedekt in de stijl van vroeger
			turkish red
toen de kindersultans huilden terwijl zij 
naar al het rood keken op de seltsjoekentegels 
			turkish red
de manier van eten & opdienen van oesters
van de eetkamer betreden & een servet gebruiken
van het kleden van de obers & hun manieren
van een restaurant binnengaan & in een restaurant zitten
de dinertafels in hoefijzervorm en de nachten aan de Eufraat
toen ik aan al deze dingen dacht
			turkish red
als ik denk aan een azeri meisje
met maan en sterringen in haar oren  
verbind ik
de lichtjes van de brug en de trillende
weerspiegelingen van haar in het water
ik denk aan het water altijd als een collier
aan de brug als een lichaam van maan en ster
	(*
	------- = turk
	brug
als een brug
	scheid ik mij van mijzelf
als een turk, rood, huil ik, turkish red

© Sytske Sötemann, 2009  


Mehmet ÇETİN

RÜZGAR

DE WIND

sür beni küskün rüzgar ıslığından sür
bu aşkın bu halkın içinden sür beni
amazon'a sür istersen ormana kat
kat en uzak kıyıda ay kabilesine
su gözlü kurbağanın sesine kat
yağmur ormanının gümbürtüsünde
sürmanşet bir cinayete sür de katl'et

masalcının hayatına sür beni hayal et
yağmur kokulu toprakla büyüt beni
leylak yüzlü sabah kırlarına sür
oku yayından çıkan yerlinin
avı yap beni yoksul kardeşimin
gölgemde unut suyu ve uyut kuşu
uzun seyirler dile rüzgar yolcusuna
güz dile yaz sarısına solmasın küskün
sür beni küskün rüzgar ıslığından sür

sür beni küskün rüzgar ıslığından sür
bu aşkın bu halkın içinden sür beni
düşür sesimin ardına kırık da olsa
vardır bir şarkısı her kovulmuşun
kekeme de olsa sözüme sür beni

sür beni küskün rüzgar ıslığıma sür

© Mehmet ÇETİN, 2000
Kekemece   Piya İstanbul
verjaag mij ui t het gefluit van de gekrenkte wind
jaag mij bij deze liefde bij dit volk vandaan jaag mij
naar de amazone zo je wilt voeg me bij het bos
lijf me in bij het maanvolk o p de verste kust
neem me op in het gekwaak van de waterogige kikker
in het geruis van het regenwoud en voeg me toe
aan een bericht in de krant over moord, dood me

jaag mij het leven in van de sprookjesverteller, verbeeld mij
laat mij groeien door de naar regen geurende aarde
jaag me op naar de seringenkleurige ochtenddauw
maak mij tot slachtoffer van mijn arme broeder
de indiaan wiens pijl uit zijn boog tevoorschijn schiet
vergeet het water in mijn schaduw en laat de vogel slapen
wens lange tochten voor de reiziger van de wind
wens de herfst dat hij niet gekrenkt verbleekt in zomergeel
verjaag mij uit het gefluit van de gekrenkte wind, jaag me weg

verjaag mij uit het gefluit van de gekrenkte wind
jaag me bij deze liefde bij dit volk vandaan, jaag me weg
volg mijn stem hoe gebroken ook
over elk van mijn verbanningen bestaat een lied
jaag mij, bij al het gestotter, naar mijn woord

verjaag me naar mijn gefluit van de gekrenkte wind, jaag me op

© Sytske Sötemann, 2001  


Mehmet ÇETİN

İPİ KOPMUŞ UÇURTMA

VLIEGER MET GEBROKEN TOUW

uzun yolculukların halkıyım, görün:
yurtsuzluğun rüzgarına tutunuşum bundan
bundandır her aşkı son bir yangın gibi yaşayışım
kürt sürgünü dağlarda her şarkıyla parçalanışım

eskiden bilmezdim aşkı öğrendim, görün:
yola düşen her kuş sürüsüne katılışım bundan
bundandır çıldırdı ömrüm aşk ihtilali çağrısına
her yürekte bu çığlığa denk düşecek bir karşılığa

çok önceden yıktım ölümü kalbime, görün:
korku düşse de kimi an sularıma ay bundan
bundandır ayışığı öptü yarasını dağyıldızının
sarısabır çiçeğiyle ağulanan şarkısını bir halkın

ateştir yakar dediler yaksın daha, görün:
dahası mı onyedisinde darağacına çıkışım bundan
bundandır geceleri kan sızsa da rüyama dağlardan
yakar ateş erir kar güneşe çıkar karçiçekleri o an

uzun yolculuğun hançeri yaşamım, görün:
siyanürü ağzımda aşk gibi taşımak bu yüzden
ölüme giderken boynumdaki bu kahkaha çiçeği
bundandır ömrüm artık ipi kopmuş bir uçurtma

bundandır ömrüm ipi kopmuş bir uçurtma artık

© Mehmet ÇETİN, 1997
Aşkkıran   Piya İstanbul
zie je, ik ben het volk van verre reizen:
daarom hecht ik mij aan de landloze wind
beleef ik elke liefde als een laatste brand
en word ik verscheurd door ieder lied over bergen en koerden

zie je, ik leerde de liefde die ik vroeger niet kende:
daarom ging ik met elke zwerm vogels op de vlucht
raasde mijn leven naar de roep om opstand der liefde
en vindt deze schreeuw in elk hart zijn weerklank

zie je, ik haalde de dood allang omver in mijn hart:
daarom is de maan soms in mijn water als de angst toeslaat
heeft het maanlicht de wond van de ster der bergen
en het door aloë vergiftigde lied van een volk gekust

zie je, ze zeiden het vuur brandt wakker het aan:
daarom ging ik op mijn zeventiende al op weg naar de galg
en als 's nachts het bloed uit de bergen in mijn dromen stroomt
dan brandt het vuur smelt de sneeuw in de zon bloeit het sneeuwklokje

zie je, mijn leven is de dolk van een verre reis:
vandaar verspreidt de cyaankalie zich als liefde in mijn mond
stokt tijdens het sterven deze schadelijke bloem in mijn keel
daarom is voortaan mijn leven een vlieger met gebroken touw

voortaan is mijn leven daarom een vlieger met gebroken touw

© Sytske Sötemann, 1997  


Mehmet ÇETİN

BÊBEXTİYE

NOODLOT

piye mê tu hocadê zê jü koi merdayna xo bêpine
zê roca payızi zê varıse amnani ama şê omrê tu
qê kem nêbiye iştiriyane to’ra xesreta to hocara
vana kê daa bêveso welêbıro bêqediro nu welat
e kê manu nia bewayr bêberbe serba bêbextiynê 

piye mê tu hocadê zê jü koi merdayna xo bêpine
kırmanciyna xo bêpine ha gola dersima bêwayıre
ware xu bêpine veri koide hega xo marabayna xo
xovıramekê tu anca koe muzırra hızıre xu bêpine
veng u vac çino kê bêberbe serba bêbextiyna mê
 
piye mê tu hocadê zê jü koi merdayna xo bêpine
tu zê tikma rezi tu zê koi berzi bêpine hocadê
mılcıkane bırr bêpine cemu xu mezela qalike xu
e kê rısna seri sıma ‘ce xu ‘ce cirane xu bêpine
vıle xu çöytmeke zeri menci serba bêbextiyna mê 

piye mê tu hocadê zê jü koi merdayna xo bêpine

© Mehmet ÇETİN, 1995
Website Mehmet Çetin   İstanbul/Amsterdam
wacht daar onwrikbaar als de bergen, vader
in je leven van herfstdagen en zomerregen
onstelpbare tranen van heimwee wenend
land dat jou schandvlekt verschroeit tot as
hoedt men je niet huil dan om mijn noodlot

wacht daar onwrikbaar als de bergen, vader
wacht op je stam aan het verlaten meer van dersim
wacht op je berg, je vlakte, je weide, je knechtschap
en vergeet je heilige niet in de bergen van munzir
niets zul je horen huilend om mijn noodlot

wacht daar onwrikbaar als de bergen, vader
wacht daar als een zaailing hoog in de bergen
wacht daar als de vogels in het bos, als het meer
van munzir, als het graf van je grootvader
buig niet zucht niet om mijn tragisch noodlot

wacht daar onwrikbaar als de bergen, vader

© Sytske Sötemann, 1997  
Vertaling uit Kirmançki: Müslüm Polat i.s.m. Nesan Erdoğan


Murathan MUNGAN

KAYIP DERVIŞ BULUNMUŞ ŞAIR

VERMISTE DERWISJ GEVONDEN DICHTER

hangi dil baş edebilir doğanın dilsizliğiyle 

dil dediğin 
incelmiş çaresizlik 
bulunmuş ümit 
kayıp geçmiş 

belki de dil doğamızı keşfetmek içindir 

eski söz: 
bir dünyaya sığamazken iki hükümdar 
bir posta sığarmış kırk derviş 

matematik denilen 
yalnızca kesinlik değil 
seçiminde pusu reddinde tuzak 
olmak nice çeşittir 

ne damarlarımızdaki gelenek isyan 
ne aşktan seyrek ve uzak bu nesil 
yetmiyor içimizdeki çarpışmaya 
nice yazsak söylesek gün bizim değil 

her şey kendimize vaat ettiğimiz anlar içindir

© Murathan MUNGAN, 2001
Erkekler İçin Divan   İstanbul
welke taal kan het hoofd bieden aan de sprakeloosheid van de natuur

wat je taal noemt
is verschrompelde onbeholpenheid
gevonden hoop
verloren verleden

misschien is de taal er wel om onze natuur te ontdekken

een oud gezegde luidt:
terwijl één aarde te klein is voor twee heersers
passen er veertig derwisjen op één kleed

wat men wiskunde noemt
is niet alleen ondubbelzinnigheid
in je keuze zit de hinderlaag in je afwijzing de val
hoeveel soorten zijn bestaan er niet

noch de opstand in de traditie van onze aderen
noch deze generatie los en ver van de liefde
is toereikend voor de strijd in onszelf
hoeveel we ook schrijven of zeggen, de dag is niet van ons

maar voor de momenten waarop wij onszelf alles beloven

© Sytske Sötemann, 2009  


Nâzim HİKMET

SİMAVNE KADISI OĞLU ŞEYH BEDREDDİN DESTANI’ndan

Uit "HET EPOS VAN SJEIK BEDRETTIN"

14.

Yağmur çiseliyor,
korkarak
yavaş sesle
bir ihanet konuşması gibi.

Yağmur çiseliyor,
beyaz ve çıplak mürted ayaklarının
ıslak ve karanlık toprağın üstünde koşması gibi.

Yağmur çiseliyor,
Serezin esnaf çarşısında,
bir bakırcı dükkânının karşısında
Bedreddinim bir ağaca asılı.

Yağmur çiseliyor.
Gecenin geç ve yıldızsız bir saatidir.
Ve yağmurda ıslanan
yapraksız bir dalda sallanan şeyhimin
			çırılçıplak etidir.

Yağmur çiseliyor.
Serez çarşısı dilsiz,
Serez çarşısı kör.
Havada konuşmamanın, görmemenin kahrolası hüznü
Ve Serez çarşısı kapatmış elleriyle yüzünü.

Yağmur çiseliyor.

© Nâzim HİKMET, 1936
SİMAVNE KADISI OĞLU ŞEYH BEDREDDİN DESTANI   İstanbul
14.

Gestaag daalt de regen,
angstig
zachtjes
als gefluister van verraders.

Gestaag daalt de regen,
als hollende blote witte voeten van afvalligen
over natte en donkere aarde.

Gestaag daalt de regen,
op de markt van Serez,
tegenover een kopersmid,
hangt mijn Bedreddin aan een boom.

Gestaag daalt de regen.
Het is een laat en sterreloos uur van de nacht.
En het spiernaakte vlees van mijn sjeik,
                                        dat schommelt aan een kale tak,
is nat van de regen.

Gestaag daalt de regen.
De markt van Serez is stom,
de markt van Serez is blind.
In de lucht het vervloekte verdriet van niet spreken, van niet zien.
En de markt van Serez heeft de handen voor het gezicht geslagen.

Gestaag daalt de regen.

© Sytske Sötemann, 2004  
Uitgeverij Douane


Nâzim HİKMET

SAAT 21-22 ŞİİRLERİ’NDEN

Uit “GEDICHTEN VAN 21-22 UUR”

Ne güzel şey hatırlamak seni :
ölüm ve zafer haberleri içinden,
hapiste
ve yaşım kırkı geçmiş iken...

Ne güzel şey hatırlamak seni :
bir mavi kumaşın üstünde unutulmuş olan elin
ve saçlarında
vakur yumuşaklığı canımın içi İstanbul toprağının... 
İçimde ikinci bir insan gibidir
                                	seni sevmek saadeti...
Parmakların ucunda kalan kokusu sardunya yaprağının,
güneşli bir rahatlık
ve etin daveti :
                kıpkızıl çizgilerle bölünmüş
                                                sıcak
                                                   koyu bir karanlık...

Ne güzel şey hatırlamak seni,
yazmak sana dair,
hapiste sırtüstü yatıp seni düşünmek :
filânca gün, falanca yerde söylediğin söz,
                                             kendisi değil
                                                     edasındaki dünya...

Ne güzel şey hatırlamak seni.
Sana tahtadan bir şeyler oymalıyım yine :
                                               bir çekmece
                                                        bir yüzük,
ve üç metre kadar ince ipekli dokumalıyım.
Ve hemen
          fırlayarak yerimden
penceremde demirlere yapışarak
hürriyetin sütbeyaz maviliğine
                          sana yazdıklarımı bağıra bağıra okumalıyım...

Ne güzel şey hatırlamak seni :
ölüm ve zafer haberleri içinden,
hapiste
ve yaşım kırkı geçmiş iken...

© Nâzim HİKMET,
  1945 İstanbul
Heerlijk om zo aan jou te denken:
tussen de berichten over dood en victorie
in de gevangenis
terwijl ik de veertig al ben gepasseerd...

Heerlijk om zo aan jou te denken:
met je hand nonchalant op een blauwe doek
en in je haren
de waardige zachtheid van Istanbul’s geliefde grond...
Het geluk van jou te houden
	Voelt als een tweede mens van binnen...
De geur van geraniums nog aan je vingertoppen,
een zonnige rust
en de uitnodiging van vlees:
	een bloedrood dooraderde
		warme
			diepe duisternis.

Heerlijk om zo aan jou te denken,
over jou te schrijven,
op mijn rug in de gevangenis over jou te liggen peinzen:
het woord dat je bezigde op een bepaalde dag, op een bepaalde plek,
	niet dat woord op zichzelf
		 maar de wereld die daarin besloten lag...

Heerlijk om zo aan jou te denken.
Ik moet weer eens wat van hout voor je snijden:
	 een sieradenkistje
	 	een ring,
en een paar meter stof van fijne zijde weven.
En ik moet nu meteen
	van mijn bed opspringen
mij bij mijn raam aan de tralies vastklampen
en voor het melkwitte blauw van de vrijheid
	luidkeels lezen wat ik jou heb geschreven...

Heerlijk om zo aan jou te denken:
tussen de berichten over dood en victorie,
in de gevangenis
terwijl ik de veertig al ben gepasseerd...

© Sytske Sötemann, 2010  


Nâzim HİKMET

SEVERMİŞİM MEĞER

IK HOUD ER ZOWAAR VAN

yıl 62 Mart 28
Prağ-Berlin treninde pencerenin yanındayım
akşam oluyor
dumanlı ıslak ovaya akşamın yorgun bir kuş gibi inişini severmişim meğer
akşamın inişini yorgun kuşun inişine benzetmeyi sevmedim

toprağı severmişim meğer
toprağı sevdim diyebilir mi onu bir kez olsun sürmeyen
ben sürmedim
Platonik biricik sevdam da buymuş meğer

meğer ırmağı severmişim
ister böyle kımıldanmadan aksın kıvrıla kıvrıla tepelerin eteğinde
doruklarına şatolar kondurulmuş Avrupa tepelerinin
ister uzasın göz alabildiğine dümdüz
bilirim aynı ırmakta yıkanılamaz bir kere bile
bilirim ırmak yeni ışıklar getirecek sen göremiyeceksin
bilirim ömrümüz beygirinkinden azıcık uzun karganınkinden
	alabildiğine kısa 
bilirim benden önce duyulmuş bu keder
		benden sonra da duyulacak 
benden önce söylenmiş bunların hepsi bin kere
		benden sonra da söylenecek

gökyüzünü severmişim meğer
kapalı olsun açık olsun
Borodino savaş alanında Andırey’in sırtüstü seyrettiği gök kubbe
hapiste Türkçeye çevirdim iki cildini Savaşla Barış’ın
kulağıma sesler geliyor
gök kubbeden değil meydan yerinden
gardiyanlar birini dövüyor yine

ağaçları severmişim meğer
çırılçıplak kayınlar Moskova dolaylarında Peredelkino’da kışın çıkarlar
karşıma alçakgönüllü kibar
kayınlar Rus sayılıyor kavakları Türk saydığımız gibi 
İzmir’in kavakları 
dökülür yaprakları 
bize de Çakıcı derler
	yâr fidan boylum 
yakarız konakları
Ilgaz ormanlarında yıl 920 bir keten mendil astım bir çam dalına
	ucu işlemeli

yollan severmişim meğer
asfaltını da
Vera direksiyonda Moskova’dan Kırım’a gidiyoruz Koktebel’e 
		asıl adı Göktepe ili 
bir kapalı kutuda ikimiz 
dünya akıyor iki yandan dışarda dilsiz uzak 
	
hiç kimseyle hiçbir zaman böyle yakın olmadım
eşkiyalar çıktı karşıma Bolu’dan inerken Gerede’ye kırmızı yolda ve yaşım
on sekiz
yaylıda canımdan gayri alacaktan eşyam da yok 
ve on sekizimizde en değersiz eşyamız canımızdır 
bunu bir kere daha yazdımdı 
çamurlu karanlık sokakta bata çıka Karagöz’e gidiyorum Ramazan gecesi
önde körüklü kâat fener 
belki böyle bir şey olmadı
belki bir yerlerde okudum sekiz yaşında bir oğlanın Karagöz’e gidişini
Ramazan gecesi İstanbul’da dedesinin elinden tutup
dedesi fesli ve entarisinin üstüne samur yakalı kürkünü giymiş 
	ve harem ağasının elinde fener
		ve benim içim içime sığmıyor sevinçten

çiçekler geldi aklıma her nedense
gelincikler kaktüsler fulyalar
İstanbul’da Kadıköy’de Fulya tarlasında öptüm Marika’yı
ağzı acıbadem kokuyor
yaşım on yedi
kolan vurdu yüreğim salıncak bulutlara girdi çıktı.
çiçekleri severmişim meğer
üç kırmızı karanfil yolladı bana hapisaneye yoldaşlar 1948
yıldızları hatırladım
severmişim meğer
ister aşağıdan yukarıya seyredip onları şaşıp kalayım
ister uçayım yanıbaşlarında

kosmos adamlarına sorularım var
çok daha iri iri mi gördüler yıldızları
kara kadifede koskocaman cevahirler miydiler
		turuncuda kayısılar mı
kibirleniyor mu insan yıldızlara biraz daha yaklaşınca 
renkli fotoğraflarını gördüm kosmosun Ogonyok dergisinde 
kızmayın ama dostlar non figüratif mi desek soyut mu desek işte o soydan
yağlı boyalara benziyordu kimisi yani dehşetli figüratif ve somut 
insanın yüreği ağzına geliyor karşılarında 
sınırsızlığı onlar hasretimizin aklımızın ellerimizin 
onlara bakıp düşünebildim ölümü bile şu kadarcık keder duymadan 
kosmosu severmişim meğer

gözümün önüne kar yağışı geliyor
ağır ağır dilsiz kuşbaşısı da buram buram tipisi de
meğer kar yağışını severmişim
 
güneşi severmişim meğer
şimdi şu vişne reçeline bulanmış batarken bile
güneş İstanbul’da da kimi kere renkli kartpostallardaki gibi batar
ama onun resmini sen öyle yapmayacaksın

meğer denizi severmişim
		hem de nasıl
ama Ayvazofski’nin denizleri bir yana

bulutlan severmişim meğer
ister altlarında olayım ister üstlerinde
ister devlere benzesinler ister ak tüylü hayvanlara

ayışığı geliyor aklıma en aygın baygını en yalancısı en küçük burjuvası
severmişim
yağmuru severmişim meğer
ağ gibi de inse üstüme ve damlayıp dağılsa da camlarımda yüreğim beni
olduğum yerde bırakır ağlara dolanık ya da bir damlanın içinde ve çıkar
yolculuğa hartada çizilmemiş bir memlekete gider
yağmuru severmişim meğer

ama neden birdenbire keşfettim bu sevdaları Prağ-Berlin treninde
yanında pencerenin
altıncı cıgaramı yaktığımdan mı 
bir teki ölümdür benim için
Moskova’da kalan birilerini düşündüğümden mi geberesiye 
saçlan saman sarısı kirpikleri mavi

zifiri karanlıkta gidiyor tren 
zifiri karanlığı severmişim meğer 
kıvılcımlar uçuşuyor lokomotiften 
kıvılcımları severmişim meğer
meğer ne çok şeyi severmişim de altmışımda farkına vardım bunun 
Prağ-Berlin treninde yanında pencerenin yeryüzünü dönülmez bir
yolculuğa çıkmışım gibi seyrederek

© Nâzim HİKMET, 1962
  İstanbul
het jaar 62 maart 28
ik zit in de trein van Praag naar Berlijn bij het raam
de avond valt
ik houd zowaar van het vallen van de avond zoals een vermoeide vogel daalt
	over de dampige natte vlakte
ik hield er niet van om het vallen van de avond te vergelijken met het dalen
	van een vermoeide vogel

ik houd zowaar van de aarde
kan iemand die hem nooit eens beploegd heeft eigenlijk wel zeggen
	‘ik hield van de aarde’?
ik heb niet geploegd
dit is zowaar mijn enige platonische liefde

ik houd zowaar van de rivier
of die zich nu rimpelloos voortbeweegt aan de voet van de heuvels
van de Europese heuvels met op hun toppen de kastelen
of dat die zich zover je kunt zien wijds en kaarsrecht uitstrekt
ik weet het, men kan zich zelfs niet eenmaal in dezelfde rivier wassen
ik weet het, de rivier zal nieuwe lichtjes brengen, jij zult ze niet kunnen zien
ik weet het, wij leven wat langer dan een lastpaard en veel korter dan een kraai
ik weet het, vóór mij heeft men deze pijn al ervaren
		ná mij zal men hem ook ervaren
vóór mij is dit allemaal al wel duizend keer gezegd
			ná mij zal het ook worden gezegd

ik houd zowaar van de hemel
of die nu bedekt is of helder
de hemelkoepel die Andrej op zijn rug liggend aanschouwde op het slagveld
	van Borodino
in de gevangenis heb ik twee delen van Oorlog en Vrede in het Turks vertaald
stemmen bereiken mijn oor
	niet vanuit de hemel maar vanaf de binnenplaats
de bewakers zijn weer eens iemand aan het slaan

ik houd zowaar van de bomen
voor mij verrijzen eenvoudig en voornaam de kale beuken in de omgeving
van Moskou bij Peredelkino in de winter
men acht beuken Russisch zoals wij populieren Turks vinden
de populieren van Izmir
laten hun bladeren vallen
en ons noemen ze Çakıcı
		mijn lange ranke geliefde
wij verbranden de huizen
in de bossen van Ilgaz in het jaar 1920 heb ik een linnen zakdoek aan de tak
van een den geknoopt
		zijn top mooi versierd

ik houd zowaar van de wegen
en van het asfalt
met Vera aan het stuur gaan wij van Moskou naar de Krim naar Koktebel
		Göktepe is de eigenlijke naam van het district
we zitten met z’n tweeën in een afgesloten doos
aan twee kanten stroomt de wereld buiten voorbij sprakeloos en veraf

nooit ben ik iemand zo nabij geweest
rovers kwamen mij tegemoet toen ik van Bolu afdaalde naar Gerede op
de rode weg toen ik achttien was
in de koets had ik niets anders dan mijn leven om te geven
en op ons achttiende is ons leven dat wat het minste waard is
dit had ik al eens ergens opgeschreven
door de donkere straat ga ik op een Ramadanavond ploeterend door
de modder op weg naar het schimmentheater
er hangt een lampion
misschien is het wel niet echt gebeurd
misschien heb ik wel ergens gelezen over een jongen van acht die naar het
schimmenspel gaat op een Ramadanavond in Istanbul aan de hand van zijn
opa
zijn opa met fez, die over zijn lange hemd zijn met sabelbont afgezette
mantel draagt
	en de lampion in de hand van de haremdienaar
		en ik uitzinnig van vreugde

er zijn zomaar bloemen opgekomen in mijn gedachten
klaprozen, cactussen, narcissen
in Istanbul, in Kadiköy, in de Narcissentuin kuste ik Marika
haar mond rook naar bittere amandel
ik was zeventien
mijn hart nam een vlucht, de schommel verdween in de wolken
ik houd zowaar van de bloemen
kameraden stuurden mij drie rode anjers in de gevangenis in 1948
ik herinnerde mij de sterren
ik houd zowaar van ze
ik moet ze van onderaf bekijken en me erover blijven verbazen
of bij ze in de buurt gaan vliegen

ik wil wat vragen aan de kosmonauten
zagen zij de sterren veel en veel groter
zijn het enorme edelstenen in het zwarte fluweel
		of abrikozen in oranje
wordt de mens hoogmoedig als hij de sterren dichter nadert
ik heb de kleurenfoto’s van de kosmos in het tijdschrift Ogonyok gezien
word nu niet boos, maar vrienden of we het nu non-figuratief of abstract
noemen
sommige leken op olieverfschilderijen en waren dus ongelofelijk figuratief
en concreet
daarmee geconfronteerd bonkt het hart van een mens in zijn keel
zij zijn de oneindigheid van onze weemoed, van ons verstand, van onze handen
ik keek naar ze en kon aan de dood denken zonder zelfs een sprankje pijn te voelen
ik houd zowaar van de kosmos
	
voor mijn oog verschijnt de sneeuwval
zowel de langzame geruisloze dikke vlokken als de dunne jachtige sneeuw
ik houd zowaar van de sneeuwval

ik houd zowaar van de zon
zelfs nu hij vertroebeld ondergaat in die kersenjam
soms gaat de zon in Istanbul onder als op gekleurde ansichtkaarten
maar zo zal jij er geen foto van kunnen maken

ik houd zowaar van de zee
		en hoe
behalve dan van de zeeën van Ajvazovskij

ik houd zowaar van de wolken
of ik er nu onder of boven ben
of ze nu op reuzen lijken of op witgevederde dieren

de maneschijn komt mij voor de geest,
al is het de allerslapste, de minst geloofwaardige, de meest kleinburgerlijke
ik houd ervan
ik houd zowaar van de regen
ook als die als een net over mij neerdaalt en zich druppelend verspreidt over
mijn ramen mijn hart laat mij achter waar ik ben verward in netten of in
een druppel en begeeft zich op reis naar een land dat niet op de kaart staat
ik houd zowaar van de regen

maar waarom heb ik plotseling deze liefdes ontdekt in de trein van Praag
naar Berlijn bij het raam
is het omdat ik mijn zesde sigaret heb opgestoken
eentje zal er mijn dood zijn
of omdat ik aan iemand denk die in Moskou is achtergebleven verdomme
wier haren blond zijn en wimpers blauw

de trein rijdt door het pikkedonker
ik houd zowaar van die diepe duisternis
de vonken spatten van de locomotief
ik houd zowaar van die vonken
het is nogal wat waar ik zowaar van houd, op mijn zestigste werd ik dit gewaar
in de trein van Praag naar Berlijn bij het raam terwijl ik de wereld bekeek
alsof ik voorgoed op reis was gegaan

© Sytske Sötemann, 2010  


Necip Fazıl KISAKÜREK

OTEL ODALARINDA

HOTELKAMERS

Bir merhamettir yanan, daracık odaların 
İsli lambalarında, isli lambalarında. 

Gelip geçen her yüzden gizli bir akis kalmış, 
Küflü aynalarında, küflü aynalarında. 

Atılan elbiseler, boğazlanmış bir adam, 
Kırık masalarında, kırık masalarında. 

Bir sırrı sürüklüyor terlikler tıpır tıpır, 
İzbe sofralarında, izbe sofralarında. 

Atıyor sızıların çıplak duvarda nabzı, 
Çivi yaralarında, çivi yaralarında. 

Duyuluyor zamanın tahtayı kemirdiği 
Tavan aralarında, tavan aralarında. 

Ağlayın, aşinasız, sessiz can verenlere, 
Otel odalarında, otel odalarında.

© Necip Fazıl KISAKÜREK, 1928
Kaldırımlar   İstanbul
Het is een erbarmen dat brandt in de berookte lampen,
In de berookte lampen van nauwe hotelkamers.

Van elk gezicht dat voorbijkwam restte er in de verweerde spiegels,
In de verweerde spiegels een geheime weerkaatsing.

Neergeworpen kleding is op de wankele tafels,
Op de wankele tafels een gewurgde man.

Sloffende pantoffels slepen in de smerige halletjes,
In de smerige halletjes geheimen mee.

De polsslag van de smart slaat in de spijkergaten,
In de spijkergaten op de kale muur.

Men hoort dat de tijd tussen de plafonds,
Tussen de plafonds het hout weg knaagt.

Ween om hen die stierven in hotelkamers,
In hotelkamers, ongekend en zonder stem.

© Sytske Sötemann, 2007  


Turgut UYAR

TEL CAMBAZININ TEL ÜSTÜNDEKİ DURUMUNU ANLATIR ŞİİRDİR

DIT GEDICHT IS HET VERHAAL VAN DE KOORDDANSER OP ZIJN TOUW

Sizin alınız al inandım 
Morunuz mor inandım 
Tanrınız büyük âmenna 
Şiiriniz adamakıllı şiir 
Dumanı da caba 
Ama sizin adınız ne 
Benim dengemi bozmayınız 

Bütün ağaçlarla uyumuşum 
Kalabalık ha olmuş ha olmamış 
Sokaklarda yitirmiş cebimde bulmuşum 
Ama ağaçlar şöyleymiş 
Ama sokaklar böyleymiş 
Ama sizin adınız ne 
Benim dengemi bozmayınız 

Aşkım da değişebilir gerçeklerim de 
Pırıl pırıl dalgalı bir denize karşı 
Yangelmişim dizboyu sulara 
Hepinize iyi niyetle gülümsüyorum 
Hiçbirinizle döğüşemem 
Siz ne derseniz deyiniz 
Benim bir gizli bildiğim var 
Sizin alınız al inandım 
Sizin morunuz mor inandım 
Ben tam dünyaya göre 
Ben tam kendime göre 
Ama sizin adınız ne 
Benim dengemi bozmayınız

© Turgut UYAR, 1959
Dünyanın En Güzel Arabistanı   Ankara
Heus ik geloof wel dat uw rood rood is
Ook geloof ik wel dat uw paars paars is
Uw god is groot, het zij zo
Uw gedicht is een goed gedicht
Met rook op de koop toe
Maar hoe heet u eigenlijk
U moet mijn evenwicht niet verstoren

Ik versta mij met elke boom
En of het nu druk is of niet
Wat ik op straat verlies vind ik in mijn zak
Maar de bomen zijn zus
En de straten weer zo
Maar hoe heet u eigenlijk
U moet mijn evenwicht niet verstoren

Ook mijn liefde kan veranderen en mijn werkelijkheid bovendien
Aan de lichtende golvende zee
Neem ik er mijn gemak van in het kniehoge water
Goedbedoeld glimlach ik naar u allen
Met geen van u kan ik gaan vechten
Het doet er niet toe wat u zegt
Er bestaat een geheim dat ik ken
Heus ik geloof wel dat uw rood rood is
Ook geloof ik wel dat uw paars paars is
Ik ben precies als de wereld
Ik ben volkomen mijzelf
Maar hoe heet u eigenlijk
U moet mijn evenwicht niet verstoren

© Sytske Sötemann, 2009  


Yahya KEMAL BEYATLI

AÇIK DENİZ

HOGE ZEE

Balkan şehirlerinde geçerken çocukluğum; 
Her lâhza bir alev gibi hasretti duyduğum. 
Kalbimde vardı “Byron”u bedbaht eden melâl.
Gezdim o yaşta dağları, hulyâm içinde lâl, 
Aldım Rakofça kırlarının hür havâsını, 
Duydum akıncı cedlerimin ihtirâsını, 
Her yaz, şimâle doğru asırlarca bir koşu, 
Bağrımda bir akis gibi kalmış uğultulu... 
Mağlûpken ordu, yaslı dururken bütün vatan, 
Rü’yâma girdi her gece bir fâtihâne zan. 
Hicretlerin bakıyyesi hicranlı duygular, 
Mahzûn hudutların ötesinden akan sular, 
Gönlümde hep o zanla berâber çağıldadı, 
Bildim nedir ufuktaki sonsuzluğun tadı! 
Bir gün dedim ki istemem artık ne yer, ne yâr! 
Çıktım sürekli gurbete gezdim diyâr diyâr; 
Gittim o son diyâra ki serhaddidir yerin, 
Hâlâ dilimdedir tuzu engin denizlerin. 

Garbın ucunda, son kıyıdan en gürültülü 
Bir med zamânı, gökyüzü kurşunla örtülü, 
Gördüm deniz dedikleri bin başlı ejderi; 
Gördüm güzel vücudunu zümrütliyen deri 
Keskin bir ürperişle kımıldandı anbean; 
Baktım ve anladım ki o ejderdi canlanan. 
Sonsuz ufuktan âh o ne coşkun gelişti o! 
Birden nasıl toparlanarak kükremişti o! 
Yelken, vapur, ne varsa kaçışmış limanlara, 
Yalnız onundu koskoca meydan ve manzara! 
Yalnız o kalmış ortada âsî ve bağrı hûn, 
Bin mağara ağzı açmış, ulurken uzun uzun, 
Sezdim bir âşinâ gibi, heybetli hüznünü! 

Rûhunla karşı karşıya kaldım o med günü, 
Şekvânı dinledim, ezelî muztarip deniz! 
Duydûm ki rûhumuzla bu gurbette sendeniz. 
Dindirmez anladım bunu hiç bir güzel kıyı; 
Bir bitmeyen susuzluğa benzer bu ağrıyı.

© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz   Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul
In mijn jonge jaren die ik doorbracht in de Balkansteden;
Voelde ik ononderbroken een vlammend verlangen.
De melancholie die Byron bedroefde, heerste in mijn hart.
Op die leeftijd zwierf ik verstild in dagdromerij in de bergen,
Ademde ik de vrije lucht van de velden rond Rakofça,
Ervoer ik de hartstocht van mijn voorouders in galop,
Eeuwenlang elke zomer een stormloop naar het noorden,
Als een echo bleef dat gedaver weergalmen in mijn borst...
Toen het leger was verslagen, het hele land in rouw gedompeld,
Droomde ik iedere nacht van de gedachte aan overwinning.
Van de lange vluchten restte slechts de pijn van de scheiding,
De stromende wateren aan de andere zijde van de droevige grenzen,
Ruisten steeds samen met die gedachten in mijn hart,
Ik kende die smaak van oneindigheid aan de horizon!
Op een dag wilde ik mij niet langer binden aan een plek of een vriend!
Ik vertrok voorgoed naar den vreemde, ik reisde van land naar land;
Ik ging naar dat laatste land naar waar van de aarde de grens was.
Op mijn tong ligt nog altijd het zout van de wijde zeeën!

Aan de rand van het westen tumultueus een vloed
Van zijn laatste kust, de hemel bedekt met loodgrijs,
Ik zag de duizendkoppige draak die men zee noemt;
Ik zag zijn prachtige lijf en zijn huid van smaragd,
Met een heftige rilling kwam hij hoger in beweging;
Ik keek en begreep dat deze draak tot leven kwam.
O welk een kolkende komst van de eindeloze verten!
Hoe hij zich plotseling vermande en brulde!
Zeilboten, schepen, alles vluchtte in paniek de havens in,
Alleen aan hem behoorden de ontzaglijke ruimte en het schouwspel!
Alleen hij bleef zichtbaar, opstandig en zijn boezem bloeddorstig,
Zijn muil geopend in duizend grotten, langgerekt brullend,
Als een oude bekende bespeurde ik zijn ontzagwekkende treurnis!

Die dag van de vloed stond ik oog in oog met jouw ziel,
Hoorde ik jouw jammerklacht, eeuwig zuchtende zee!
Voelde ik dat wij met onze ziel jou in den vreemde toebehoren.
Geen enkele mooie kust, begreep ik, is in staat,
Deze smart te stillen, een onlesbare dorst.

© Sytske Sötemann, 2004  
Proefschrift


Yahya KEMAL BEYATLI

SESSİZ GEMİ

HET STILLE SCHIP

Artık demir almak günü gelmişse zamandan,
Meçhûle giden bir gemi kalkar bu limandan.
Hiç yolcusu yokmuş gibi sessizce alır yol;
Sallanmaz o kalkışta ne mendil ne de bir kol.
Rıhtımda kalanlar bu seyâhatten elemli,
Günlerce siyah ufka bakar gözleri nemli.
Bîçâre gönüller! Ne giden son gemidir bu!
Hicranlı hayâtın ne de son matemidir bu!
Dünyâda sevilmiş ve seven nâfile bekler;
Bilmez ki giden sevgililer dönmiyecekler.
Bir çok gidenin her biri memnun ki yerinden,
Bir çok seneler geçti; dönen yok seferinden.

© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz   Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul
Als eindelijk de dag aanbreekt om ’t anker uit de tijd te lichten
Verlaat een naar het onbekende koersend schip de haven.
Stil, als was geen mens aan boord, begeeft het zich op weg;
Geen zakdoek, noch een hand, wuift er bij dat vertrek.
Vol van weemoed om de reis staan zij die bleven op de kade,
Dagenlang staren hun vochtige ogen naar de donkere verte.
Arme zielen! Dit schip is immers niet het laatste dat zal gaan!
Noch is dit verdriet het laatste van het smartelijk bestaan!
Tevergeefs wachten op de wereld de beminden en de minnenden;
Niet beseffend dat de vertrokken geliefden nooit weer zullen keren.
Van de velen die zijn afgereisd moet een ieder daar wel geluk ervaren,
Vele jaren zijn vergaan; niemand kwam van die tocht teruggevaren.

© Sytske Sötemann, 2004  
Proefschrift


Yahya KEMAL BEYATLI

RİNDLERİN ÖLÜMÜ

DOOD DER HEDONISTEN

Hâfız’ın kabri olan bahçede bir gül varmış;
Yeniden her gün açarmış kanayan rengiyle.
Gece, bülbül ağaran vakte kadar ağlarmış
Eski Şîrâz’ı hayâl ettiren âhengiyle.

Ölüm âsûde bahâr ülkesidir bir rinde;
Gönlü her yerde buhurdan gibi yıllarda tüter.
Ve serin serviler altında kalan kabrinde
Her seher bir gül açar; her gece bir bülbül öter.

© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz   Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul
In de tuin bij het graf van Hafız bevindt zich een roos;
Elke dag weer in de bloei van haar bloedende rood.
Des nachts weent de nachtegaal tot aan ’t ochtendgloren.
Zijn lied verbeeldt het oude Shiraz in intens bekoren.

Voor een hedonist is de dood een land van lente zonder klacht;
Jarenlang drijft en geurt zijn hart als wierook allerwegen.
En op zijn graf door koele cipressen omgeven
Bloeit elke ochtend een roos, zingt een nachtegaal elke nacht.

© Sytske Sötemann, 2004  
Proefschrift


Yahya KEMAL BEYATLI

BÜYÜ ŞİİR

BETOVERENDE POËZIE

Pâris’de genç iken koyu Baudelaire-perest idim.
Balkon’la, Yolculuk’la, Güzellik’le mest idim.

Sinmişti şi’ri rûhuma ulvî keder gibi;
Absent’e damla damla sιzan bir şeker gibi.

Hulyâsιnιn yarattιğι iklîm o başka yer!
Gür defnelerle çevrili, afyonlu bahçeler...

Her zevki bir harâm olan efsunlu cennetin
Koynunda vardι lezzeti bin türlü nîmetin.

Bir gün vedâ edip o dîyarιn hayâtιna,
Döndüm bütün bütün vatanιn kâinâtιna.

Lâkin o bahçelerde geçen devre’den beri
Kalbimde solmamιştιr o şi’rin çiçekleri.

© Yahya KEMAL BEYATLI, 1961
Kendi Gök Kubbemiz   Yahya Kemal Enstitüsü İstanbul
Bezeten was ik van Baudelaire, toen ik jong was, in Parijs.
Dronken was ik van Het Balkon, De Schoonheid en De Reis.

Zijn poëzie doordrong mijn ziel als diepe smart;
Zoals suiker in absint zich kristal na kristal onthardt.

Die andere wereld, zo geschapen door zijn verbeelding!
De opiumtuinen met laurieren, die weelderige omgeving ...

In het hart van het betoverend paradijs, waarvan elk genot
Een verbod was, lag de smaak van een duizendsoortig geluk.

Op een dag nam ik toen afscheid van die wereld en dat leven
Keerde naar het universum van mijn land met heel mijn wezen.

Sedert de in die tuinen doorgebrachte jaren evenwel
Zijn die bloemen van poëzie in mijn hart niet verwelkt.

© Sytske Sötemann, 2004  
Proefschrift


Terug